← Nederland

ECLI:NL:HR:2002:AE7636

12 november 2002 Strafkamer nr. 02142/99 B AB/SM Hoge Raad der Nederlanden Beschikking op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 28 oktober 1999, nummer RK 99/3655, op een beklag als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door: [klager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972, wonende te [woonplaats].

  1. De bestreden beschikking De Rechtbank heeft ongegrond verklaard het door klager ingediende beklag strekkende tot teruggave aan hem van de in bovenvermelde beschikking omschreven personenauto. Voorts heeft de Rechtbank de vordering van de Officier van Justitie toegewezen en genoemde personenauto aan het verkeer onttrokken verklaard.
  2. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door klager. Namens deze heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schrifturen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit. De plaatsvervangend Procureur-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
  3. Beoordeling van het middel 3.
  4. Het middel behelst de klacht dat de Rechtbank ten onrechte het beklag van klager ongegrond heeft verklaard en de vordering tot onttrekking aan het verkeer van de in de bestreden beschikking genoemde personenauto heeft toegewezen, althans dat voornoemde beslissingen ontoereikend zijn gemotiveerd. Het middel valt uiteen in een drietal klachten. 3.
  5. De eerste klacht houdt in dat de schriftelijke vordering van de Officier van Justitie tot onttrekking aan het verkeer niet aan klager is betekend. 3.
  6. Uit het proces-verbaal van de behandeling van voornoemde vordering in raadkamer van 15 oktober 1999 blijkt dat klager bij die behandeling aanwezig was en aldaar door of namens hem niet is geklaagd over het uitblijven van betekening. Op grond van het voorgaande kan niet worden gezegd dat klager door het begane verzuim in zijn belang is geschaad. 3.
  7. In de tweede klacht wordt aangevoerd dat de ongegrondverklaring van het beklag en de onttrekking aan het verkeer ontoereikend zijn gemotiveerd, omdat uit de beschikking niet blijkt in relatie tot welk strafbaar feit het ongecontroleerde bezit van de auto in strijd met het algemeen belang zou zijn. 3.
  8. De bestreden beschikking houdt - voorzover voor de beoordeling van de klacht van belang - het volgende in: "Gelet op de stukken in het dossier kan vastgesteld worden dat op enig moment iemand genoemde auto heeft voorzien van een vals chassisnummer en het motornummer heeft verwijderd. Het ongecontroleerde bezit van een dergelijke auto is in strijd met het algemeen belang. Hiermee is voldaan aan de criteria om tot onttrekking aan het verkeer te kunnen overgaan." 3.
  9. De hiervoor onder 3.5 genoemde overwegingen van de Rechtbank moeten aldus worden verstaan dat de Rechtbank heeft geoordeeld dat met betrekking tot de personenauto het in art. 219 Sr omschreven strafbare feit is gepleegd. Voorts ligt in die overwegingen besloten dat het een feit van algemene bekendheid is dat voertuigen die zijn voorzien van een vals chassisnummer geheel of gedeeltelijk van diefstal of een soortgelijk misdrijf afkomstig plegen te zijn, dat het ongecontroleerde bezit van dergelijke voertuigen afbreuk doet aan een effectieve voorkoming en bestrijding van met gestolen auto's bedreven handel en dat daarvan tevens een bevorderende werking op diefstal van auto's uitgaat (vgl. HR 21 november 2000, LJN AA8406). 3.
  10. Dit oordeel van de Rechtbank geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. 3.
  11. De derde klacht houdt in dat uit de beschikking niet kan volgen dat de Rechtbank heeft onderzocht of het Openbaar Ministerie voornemens is een strafvervolging in te stellen. 3.
  12. Deze klacht kan niet slagen, reeds omdat uit de stukken van het geding niet blijkt dat in feitelijke aanleg er een beroep op is gedaan dat in deze zaak een vervolging is of zal worden ingesteld, noch daaruit het rechtstreeks en ernstig vermoeden rijst dat een vervolging is of zal worden ingesteld.
  13. Slotsom Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden beschikking ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
  14. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en E.J. Numann, in bijzijn van de waar-nemend-griffier L.J.J. Braber, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 november 2002.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.