6 december 2002 Eerste Kamer Nr. C01/054HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: 1. [Eiseres 1], handelende onder de naam "Eetcafé - Pannenkoekhuis De Kabouter", gevestigd te [plaats A], 2. [Eiser 2], wonende te [woonplaats], 3. [Eiseres 3], wonende te [woonplaats], EISERS tot cassatie, advocaat: mr. J.A.M.A. Sluysmans, t e g e n DE PROVINCIE NOORD-BRABANT, gevestigd te 's-Hertogenbosch, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. R.S. Meijer. 1. Het geding in feitelijke instanties Eisers tot cassatie - verder tezamen te noemen: [eiser] - hebben bij exploit van 19 september 1996 verweerster in cassatie - verder te noemen: de provincie - gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Hertogenbosch en - na vermindering van eis - gevorderd bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de provincie te veroordelen om aan [eiser] te betalen een bedrag van ƒ 103.781,01, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van deze dagvaarding tot de dag der algehele voldoening. De provincie heeft de vordering bestreden. De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 17 juli 1998 partijen in de gelegenheid gesteld inlichtingen te verschaffen en stukken in het geding te brengen, de zaak daartoe naar de rol verwezen, en iedere verdere beslissing aangehouden. Tegen dit tussenvonnis heeft de provincie hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Bij arrest van 16 november 2000 heeft het Hof het vonnis van de Rechtbank vernietigd en opnieuw rechtdoende de vorderingen van [eiser] afgewezen. Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De provincie heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot verwerping van het beroep. De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 10 oktober 2002 op die conclusie gereageerd. 3. Beoordeling van het middel 3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten en omstandigheden die zijn vermeld in de rov. 5.1.1 - 5.1.6 van het arrest van het Hof. 3.2 Aan haar hiervoor onder 1 vermelde vordering heeft [eiser] ten grondslag gelegd, dat het verkeersbesluit op zichzelf een rechtmatige overheidsdaad vormt, maar dat zij zodanig zwaar door de maatregelen is getroffen dat de provincie onrechtmatig jegens haar handelt door haar (onevenredige) schade niet te vergoeden. De Rechtbank heeft overwogen, kort gezegd, dat het verkeersbesluit en de tijdelijke verkeersmaatregelen rechtmatig moeten worden geacht, dat de provincie onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door aan haar schadevergoeding te weigeren indien komt vast te staan dat [eiser] door de verkeersmaatregelen onevenredig in haar economische belangen is getroffen en dat zij voor het verkrijgen van inzicht in de omvang van het nadeel dat [eiser] als gevolg van de wegafsluiting heeft ondervonden, behoefte heeft aan deskundige voorlichting, alvorens te kunnen beoordelen of slechts sprake is van schade die tot het normaal maatschappelijk risico van [eiser] behoorde. Op het hoger beroep tegen dit tussenvonnis heeft het Hof het vonnis vernietigd en de vordering afgewezen. 3.3 Het Hof heeft in rov. 5.4.1 geoordeeld dat de formele rechtskracht van het verkeersbesluit meebrengt dat het Hof als burgerlijke rechter ervan moet uitgaan dat dit besluit rechtmatig is, ook in die zin dat daarbij een zorgvuldige afweging van belangen, waaronder dat van [eiser], heeft plaatsgevonden en dat voldoende aandacht aan het ondervangen van aan het besluit verbonden schadelijke effecten voor [eiser] is geschonken. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat geen bijzondere omstandigheden zijn gesteld of gebleken op grond waarvan in dit geval een uitzondering op de leer van de formele rechtskracht moet worden gemaakt. 3.4 Onderdeel 1 klaagt dat 's Hofs rechtsoverweging 5.4.1 onjuist, althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk is, voorzover daarin het oordeel besloten ligt dat [eiser] onrechtmatigheid van het verkeersbesluit vanwege het ontbreken van nadeelcompensatie aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd. Het Hof heeft in rov. 5.4 geoordeeld dat geen uitzondering op het beginsel van de formele rechtskracht van een beschikking wordt aangenomen, wanneer de burger, zoals in het onderhavige geval, geen vernietiging van de beschikking wenst, maar slechts schadevergoeding vordert. In rov. 5.4.1 heeft het Hof vervolgens geoordeeld dat hieraan niet kan afdoen dat [eiser] aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd "dat de getroffen verkeersmaatregelen als een normale verkeersontwikkeling dienen te worden beschouwd en dat er in zoverre sprake is van een rechtmatige overheidsdaad, maar dat deze overheidsdaad onrechtmatig is geworden doordat er sprake is van onevenredig nadeel voor [eiseres 1]." Vervolgens heeft het Hof overwogen dat deze stelling van [eiser] "impliceert dat het verkeersbesluit onrechtmatig is, immers in strijd met het bepaalde in art. 3:4, lid 2 Awb doordat haar economische belangen onvoldoende zijn meegewogen." Met dit een en ander heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat de vordering van [eiser] in wezen hierop is gebaseerd dat het verkeersbesluit onrechtmatig is, omdat bij het tot stand brengen ervan het in art. 3:4 lid 2 Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel niet in acht is genomen, en dat dit niet anders wordt doordat [eiser] haar vordering in het onderhavige geding anders heeft ingekleed. Deze aan het Hof voorbehouden uitleg van de stellingen van [eiser] geeft, in het bijzonder in het licht van art. 3:4 Awb, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk. Het onderdeel faalt derhalve. 3.5 Onderdeel 2 is eveneens gericht tegen rov. 5.4.1 en klaagt over het daarin vervatte oordeel dat gesteld noch gebleken is dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die tot een uitzondering op de leer van de formele rechtskracht nopen. Het onderdeel vermeldt de navolgende vier omstandigheden die in combinatie als dermate klemmend moeten worden beschouwd, dat zij een uitzondering op de formele rechtskracht van het verkeersbesluit rechtvaardigen: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.