22 november 2002 Eerste Kamer Nr. C01/078HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiseres], gevestigd te [vestigingsplaats], EISERES tot cassatie, advocaat: mr. H.A. Groen, t e g e n SINT WILLIBRORDUS STICHTING, gevestigd te Utrecht, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. M.V. Polak. 1. Het geding in feitelijke instanties Eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - heeft bij exploit van 22 december 1995 verweerster in cassatie - verder te noemen: Sint Willibrordus - gedagvaard voor de Rechtbank te Utrecht en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Sint Willibrordus te veroordelen om aan [eiseres] te betalen een bedrag van ƒ 65.466,33, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van ƒ 5.052,71 vanaf 27 januari 1995, over een bedrag van ƒ 1.735,60 vanaf 12 september 1995, over een bedrag van ƒ 29.339,01 vanaf 1 september 1994 en over een bedrag van ƒ 29.339,01 vanaf 1 september 1995, telkens tot aan de dag der algehele voldoening. Bij conclusie van repliek heeft [eiseres] haar eis vermeerderd en, onder handhaving van haar hiervoor weergegeven vordering, tevens gevorderd: - Sint Willibrordus te veroordelen telkens jaarlijks per 12 november de geïndexeerde erfpachtcanon te voldoen, conform hetgeen is bepaald in artikel 10 van de akte van uitgifte in erfpacht en opstalrecht d.d. 11 november 1986, alsmede Sint Willibrordus te veroordelen jaarlijks de geïndexeerde huurprijs van de roerende zaken te voldoen, per 12 november elk jaar, als volgens artikel 10 van de huurovereenkomst van 15 augustus 1986; - Sint Willibrordus te veroordelen tot betaling van de boete ex artikel 10 k lid 2 ad 1% per maand, waarbij een gedeelte van een maand tot een volle wordt gerekend, telkens vanaf de vervaldag van de canon, tot aan de dag der voldoening; - subsidiair Sint Willibrordus te veroordelen tot vergoeding van de door [eiseres] geleden en te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 september 1996 tot aan de dag der voldoening; - meer subsidiair, voor het geval dat er sprake is van natrekking van één of meerdere van de door [eiseres] aan Sint Willibrordus verhuurde zaken, tot veroordeling van Sint Willibrordus tot vergoeding van de door [eiseres] geleden en te lijden schade op grond van ongerechtvaardigde verrijking, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 september 1996 tot aan de dag der voldoening. Sint Willibrordus heeft in conventie de vorderingen bestreden en in reconventie - na vermeerdering van eis bij repliek in reconventie - gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut en op alle dagen en uren: primair: [eiseres] te veroordelen tot betaling van een bedrag van ƒ 225.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de data der betaling van de respectieve huurpenningen door Sint Willibrordus tot aan de dag der algehele voldoening, een en ander te vermeerderen met buitengerechtelijke incassokosten conform het incasso tarief van de Nederlandse Orde van Advocaten, en voorts te verklaren voor recht dat tussen partijen geen huurovereenkomst tot stand is gekomen respectievelijk heeft bestaan met betrekking tot de goederen als bedoeld op de lijst A en B behorende bij de productie 3 bij de conclusie van eis in reconventie; subsidiair: 1) te verklaren voor recht dat de redelijke huurprijs voor de schilderijen als genoemd in de hiervoor genoemde productie 3 lijst A bedraagt ƒ 2.000,--; 2) te verklaren voor recht dat tussen partijen geen enkele huurovereenkomst heeft bestaan of bestaat anders dan met betrekking tot genoemde schilderijen, en 3) [eiseres] te veroordelen tot betaling van een bedrag van ƒ 217.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectieve betaaldata der huurpenningen, een en ander te vermeerderen met buitengerechtelijke incassokosten conform het tarief van de Nederlandse Orde van Advocaten. [Eiseres] heeft in reconventie de vorderingen bestreden. De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 31 december 1997 een gerechtelijke plaatsopneming en een comparitie van partijen gelast en bij tussenvonnis van 3 februari 1999 wederom een comparitie van partijen gelast. Bij vonnis van 1 september 1999 heeft de Rechtbank in conventie Sint Willibrordus veroordeeld om aan [eiseres] vanaf 12 november 1993 jaarlijks per 12 november van elk jaar, de geïndexeerde erfpachtcanon te voldoen conform hetgeen is bepaald in artikel 10 van de akte van uitgifte in erfpacht en opstalrecht d.d. 11 november 1986, zulks te vermeerderen met de boete ex artikel 10 k lid 2 van de akte van uitgifte, telkens vanaf de vervaldag van de canon tot de dag der voldoening, en het meer of anders gevorderde afgewezen. In reconventie heeft de Rechtbank de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een akte aan de zijde van Sint Willibrordus en iedere verdere beslissing aangehouden. Tegen de drie vermelde vonnissen heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. Bij memorie van grieven heeft [eiseres] haar eis gewijzigd en vermeerderd en, naast hetgeen in eerste aanleg is gevorderd, - verkort weergegeven - gevorderd: (II) subsidiair: een schadevergoeding wegens wanprestatie, onrechtmatige daad of ongerechtvaardigde verrijking, groot ƒ 25.000,-- per jaar en vermeerderd met de contractueel bepaalde indexering vanaf november 1994 tot aan de dag dat de overeenkomst tussen partijen rechtsgeldig zal zijn beëindigd, althans een schadevergoeding gelijk aan de waarde van de nagetrokken zaken, verminderd met ƒ 184.000,--, deze schadevergoeding op te maken bij staat of door het Hof in goede justitie te bepalen; (III) meer subsidiair en voorwaardelijk, voor het geval de huurovereenkomst wegens dwaling is vernietigd: het gedeeltelijk ontzeggen van de werking aan deze vernietiging, met bepaling dat Sint Willibrordus aan [eiseres] een vergoeding zal voldoen van ƒ 25.000,-- per jaar en vermeerderd met de contractueel bepaalde indexering, vanaf november 1994 tot de dag dat het kerkgebouw niet meer als kerk in gebruik zal zijn, althans een vergoeding gelijk aan de waarde van de nagetrokken zaken, verminderd met ƒ 184.000,--, althans een door het Hof te bepalen vergoeding; (IV) meest subsidiair en eveneens voorwaardelijk: de vernietiging van de gehele overeenkomst tussen partijen, derhalve de koopovereenkomst met betrekking tot het kerkgebouw en de overige inventaris, de erfpachtovereenkomst en de litigieuze huurovereenkomst, alle op grond van dwaling; (V) in alle gevallen met veroordeling van Sint Willibrordus tot betaling van de wettelijke rente vanaf 27 januari 1995, althans vanaf 13 januari 2000 tot aan de dag der voldoening. Bij arrest van 30 november 2000 heeft het Hof de vonnissen van 3 februari 1999 en 1 september 1999, voorzover in conventie gewezen, bekrachtigd, deze vonnissen, voorzover in reconventie gewezen, vernietigd en, opnieuw rechtdoende, [eiseres] veroordeeld aan Sint Willibrordus te voldoen een bedrag van ƒ 184.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 mei 1996 tot aan de dag der voldoening, en het meer of anders gevorderde afgewezen. Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen het arrest van het Hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Sint Willibrordus heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep, voorzover het betreft de gronden onder 1 tot en met 4 en 6 en 7 van het middel van cassatie, en verzocht ten aanzien van de onderdelen 5.1 en 5.2 te beslissen zoals de Hoge Raad zal menen te behoren. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof. 3. Beoordeling van het middel 3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.1 vermelde feiten. Die komen erop neer dat [eiseres] in 1986 een kerkgebouw aan Sint Willibrordus heeft verkocht, de grond waarop dit gebouw staat aan Sint Willibrordus in erfpacht heeft gegeven en een aantal kunstvoorwerpen die zich in dat gebouw bevonden aan Sint Willibrordus heeft verhuurd. Het geschil tussen partijen betreft de huur van de kunstvoorwerpen. Sint Willibrordus heeft die huur per 12 november 1994 opgezegd, waarmee [eiseres] niet heeft ingestemd. In conventie vordert [eiseres] - naast een verhoging van de erfpachtcanon die niet in geschil is - huur dan wel schadevergoeding over de periode na de opzegging. Sint Willibrordus stelt zich op het standpunt dat zij uit dien hoofde niets verschuldigd is en vordert in reconventie de door haar in de periode van 1986 tot 1994 voor de kunstvoorwerpen betaalde huur ad ƒ 25.000,-- per jaar als onverschuldigd betaald terug. Volgens Sint Willibrordus is de huurovereenkomst non-existent of vernietigbaar op grond van dwaling omdat de kunstvoorwerpen door natrekking deel uitmaken van het kerkgebouw dat haar eigendom is en zij niet huurder van haar eigen goederen kan zijn. 3.2 De Rechtbank heeft het standpunt van Sint Willibrordus met betrekking tot de natrekking van de kunstvoorwerpen aanvaard, behalve ten aanzien van twee schilderijen. Wat die schilderijen betreft heeft zij de zaak naar de rol verwezen met het oog op het inwinnen van deskundigenbericht teneinde een redelijke huurprijs vast te stellen, maar voor het overige heeft zij de vordering van [eiseres] tot betaling van huur of schadevergoeding in conventie afgewezen en de vordering van Sint Willibrordus in reconventie toewijsbaar geacht. In hoger beroep heeft [eiseres] berust in het oordeel van de Rechtbank over de natrekking van de kunstvoorwerpen, met uitzondering van de twee schilderijen en een aantal biechtstoelen, en haar vorderingen aan haar gewijzigde standpunt aangepast. Zij vorderde nu tevens subsidiair schadevergoeding wegens wanprestatie, onrechtmatige daad of ongerechtvaardigde verrijking en meer subsidiair, voorwaardelijk, voor het geval de huurovereenkomst wegens dwaling is vernietigd, het gedeeltelijk ontzeggen van de werking aan deze vernietiging met bepaling dat Sint Willibrordus haar een vergoeding voor het gebruik van de kunstvoorwerpen verschuldigd is, en meest subsidiair vernietiging van de gehele overeenkomst (koop kerkgebouw en overige inventaris, erfpacht grond en huur kunstvoorwerpen) op grond van dwaling. Evenals de Rechtbank heeft het Hof Sint Willibrordus grotendeels in het gelijk gesteld. Het heeft de afwijzing van de huurvordering van [eiseres] in conventie bekrachtigd en in reconventie [eiseres] veroordeeld tot terugbetaling van ƒ 184.000,--. 3.3.1 Onderdeel 1 bestrijdt het oordeel van het Hof in rov. 4.3 over het ontbreken van samenhang tussen de verschillende overeenkomsten van partijen. Wat dat betreft blijkt uit de vaststellingen van de Rechtbank, waarnaar het Hof verwijst, het volgende. Er zijn twee schriftelijke overeenkomsten van 15 augustus 1986. De eerste vermeldt, voorzover hier van belang, A) de verkoop van het kerkgebouw voor ƒ 375.000,-- B) de uitgifte in erfpacht van de grond, C) de jaarlijkse erfpachtcanon van ƒ 10.000,-- en D) de jaarlijkse huurprijs van de kunstvoorwerpen van ƒ 25.000,--. In de tweede overeenkomst wordt vooropgesteld dat [betrokkene 1] eigenaar is van de op de aan de overeenkomst gehechte lijst A vermelde goederen (waaronder de hiervoor in 3.2 bedoelde twee schilderijen) en dat hij de op een eveneens aangehechte lijst B vermelde goederen in bruikleen heeft van het Aartsbisdom Utrecht. Volgens deze overeenkomst geeft [eiseres] de goederen op lijst A "tegen vergoeding in bruikleen" aan Sint Willibrordus en verhuurt zij de goederen op lijst B aan deze, waarbij Sint Willibrordus voor deze goederen samen een huurprijs van ƒ 25.000,-- per jaar verschuldigd is ("geïndexeerd zoals erfpacht"). Art. 10 van deze overeenkomst houdt in dat als de erfpachtcanon van ƒ 10.000,-- wordt verhoogd ("bedrag van de indexering uitgesloten"), de huurprijs van ƒ 25.000,-- dienovereenkomstig wordt verlaagd. Op 12 november 1986 is een notariële akte gepasseerd "houdende uitgifte in erfpacht en opstalrecht", waarbij aan Sint Willibrordus in de eerste plaats het kerkgebouw met toebehoren in eigendom is overgedragen (met vestiging van een opstalrecht) en in de tweede plaats de grond in erfpacht is uitgegeven. Volgens art. 8 van de akte blijft, voorzover daarvan in deze akte niet wordt afgeweken, tussen partijen gelden hetgeen eerder overigens tussen hen is overeengekomen. Art. 10 bevat een indexeringsclausule met betrekking tot de erfpachtcanon. 3.3.2 Het Hof heeft in rov. 4.3 geoordeeld dat "sprake is van verschillende overeenkomsten die niet onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden". Naar het oordeel van het Hof zijn vier overeenkomsten gesloten, niet - zoals [eiseres] stelt - één overeenkomst die uit vier onderdelen bestaat. De stelling van [eiseres] dat "indien aan één van de onderdelen wordt getornd, daarmee de overige onderdelen op de tocht komen te staan", zou volgens het Hof juist kunnen zijn "indien tussen de vier overeenkomsten zodanige verbinding (bijvoorbeeld door middel van schakelbepalingen) zou zijn gemaakt dat een zich in de ene overeenkomst voordoende omstandigheid ook gevolgen heeft voor de overige overeenkomsten". Dat is echter volgens het Hof "niet dan wel onvoldoende gebleken. Tussen de overeenkomsten van 15 augustus 1986 en die van 12 november 1986 is alleen de verbinding gelegd met betrekking tot de indexering en niet met betrekking tot de hoofdsom". Verder wijst het Hof erop dat de erfpacht eeuwigdurend is en de huur niet, en dat volgens de ene overeenkomst de huur zal eindigen bij het einde van de erfpacht, maar dat de andere overeenkomst niet het omgekeerde bepaalt. Het bepaalde in art. 10 van de overeenkomst van 15 augustus 1986 (zie hiervoor in 3.3.1) vindt het Hof, gelet op het bepaalde in art. 10 van de overeenkomst van 12 november 1986 (zie eveneens 3.3.1) onvoldoende aanwijzing voor (de juistheid van) het standpunt van [eiseres]. Overigens heeft [eiseres] volgens het Hof geen concrete feiten of omstandigheden gesteld en te bewijzen aangeboden die tot een ander oordeel aanleiding zouden kunnen geven. 3.3.3 Met dit oordeel verwierp het Hof de stelling van [eiseres] dat partijen in 1986 één alomvattende overeenkomst hebben gesloten die in vier onderdelen uiteenviel: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.