ECLI:NL:HR:2002:AE8458
29 november 2002 Eerste Kamer Nr. C01/105HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiseres], gevestigd te [vestigingsplaats], Frankrijk, EISERES tot cassatie, advocaat: mr. R.S. Meijer, t e g e n de vennootschap naar Russisch recht NORTH-WESTERN SHIPPING COMPANY, gevestigd te St. Petersburg, Rusland, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. G. Snijders.
NWSC heeft de vordering bestreden.
De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 24 oktober 1996 partijen om nadere inlichtingen verzocht en bij tussenvonnis van 17 september 1998 NWSC alvorens verder te beslissen tot bewijslevering toegelaten.
Tegen beide tussenvonnissen heeft NWSC hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij arrest van 19 december 2000 heeft het Hof beide tussenvonnissen waarvan beroep vernietigd, en opnieuw rechtdoende de vordering van [eiseres] afgewezen.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
NWSC heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot vernietiging van het bestreden arrest.
De advocaat van NWSC heeft bij brief van 17 oktober 2002 op die conclusie gereageerd.
3.2 Aan haar hiervoor onder 1 vermelde vordering tot schadevergoeding heeft [eiseres] ten grondslag gelegd - voorzover thans nog van belang - dat NWSC in strijd met haar verplichtingen als vervoerder de partij wodka heeft afgegeven aan een ander dan de regelmatige houder van het cognossement. De Rechtbank heeft het primaire verweer van NWSC - kort gezegd: vanaf het moment dat de vervoerovereenkomst werd gewijzigd, is Vneshtrans het ship's bag-exemplaar van het cognossement, dat zij eerst hield voor NWSC, recht- en regelmatig gaan houden voor Kredo - verworpen. Zij heeft NWSC toegelaten te bewijzen dat [A] erin heeft toegestemd dat zij de containers met wodka in St. Petersburg aan (Vneshtrans als vertegenwoordiger van) Kredo zou afgeven. Als NWSC dat bewijs niet levert, zal de vordering van [eiseres] worden toegewezen, aldus de Rechtbank.
3.3 In hoger beroep heeft het Hof de grieven 4, 5 en 13 van NWSC gegrond bevonden en de vordering van [eiseres] afgewezen. Hetgeen het Hof daartoe heeft overwogen kan als volgt worden samengevat.
Het geschil in hoger beroep betreft in essentie de vraag of uit de nader overeengekomen wijziging van de vervoerovereenkomst kan worden afgeleid dat [A] aan NWSC toestemming heeft gegeven om de containers met wodka in St. Petersburg aan Vneshtrans/Kredo uit te leveren, zonder dat Kredo een exemplaar van het originele naamcognossement van [A] heeft ontvangen (rov. 3, eerste alinea). In het geval dat de geadresseerde een ander is dan de afzender, bevat het cognossement mede een derdenbeding ten behoeve van de geadresseerde. Aanvaarding van dit beding, en daarmee toetreding tot de vervoerovereenkomst, kan op elk moment en in elke vorm plaatsvinden, tenzij een andersluidend beding is opgenomen in de vervoerovereenkomst (rov. 3, derde alinea).
Nu tussen [A] en Kredo in de week voorafgaande aan 21 februari 1994 is overeengekomen dat Kredo zorg zou dragen voor het doorvervoer naar Moskou en NWSC hiervan op de hoogte is gesteld met het verzoek op te geven welke korting zij in verband hiermee zou geven op de vrachtprijs, heeft Kredo kennelijk het derdenbeding aanvaard en hebben partijen beoogd in die zin van de vervoerovereenkomst af te wijken dat aflevering in St. Petersburg aan Kredo diende plaats te vinden. Hierdoor werd Kredo materieel gelegitimeerd en verloor het cognossement zijn functie als legitimatie voor de aflevering. NWSC diende zich dus te richten naar de instructies van Kredo (rov. 4). [A] is niet vorderingsgerechtigd gebleven totdat zij haar rechten als eerste cognossementshouder cedeerde aan [eiseres]: het vorderingsrecht is immers in februari 1994 overgegaan op Kredo als geadresseerde, zodat [A] ten tijde van de cessie op 17 januari 1995 als afzender/eerste cognossementshouder geen vorderingsrecht meer had (rov. 5).
3.4 Onderdeel 1 keert zich in de eerste plaats met een rechtsklacht tegen hetgeen het Hof, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 22 september 2000, nr. C98/320, NJ 2001, 44, heeft overwogen in de hiervoor onder 3.3 weergegeven derde alinea van zijn rov. 3. Deze klacht slaagt: de opvatting dat het enkele feit dat een naamcognossement een ander dan de afzender als geadresseerde vermeldt, meebrengt dat dit cognossement voor die geadresseerde een derdenbeding bevat dat door hem in beginsel op elk moment - derhalve bijvoorbeeld ook reeds voordat het cognossement hem ter hand is gesteld - en in elke vorm kan worden aanvaard met als gevolg dat hij toetreedt tot de vervoerovereenkomst, kan niet als juist worden aanvaard. In het zo-even genoemde arrest, waar het ging om een geval van toetreding in het kader van gezamenlijk overleg tussen vervoerder, afzender en (de verzekeraar van) geadresseerde, heeft de Hoge Raad weliswaar geoordeeld dat uit art. 8:441 BW niet volgt "dat de in een cognossement vermelde geadresseerde niet eerder of anders tot de vervoerovereenkomst ter zake waarvan het cognossement is uitgegeven, zou kunnen toetreden dan door het cognossement, na dit te hebben ontvangen, aan de vervoerder te presenteren", maar geenszins dat die toetreding ook kan plaatsvinden op de zojuist bedoelde, door het Hof in zijn rov. 3 vermelde wijze (door - eenzijdige - aanvaarding van een derdenbeding, op elk moment en in elke vorm).
3.5 Gegrond zijn ook de onderdelen 2, 3 en 4 voorzover deze klagen over onbegrijpelijkheid van 's Hofs, in rov. 4 tot uitdrukking gebrachte, oordeel dat [A] ermee heeft ingestemd dat Kredo als geadresseerde zonder verdere voorwaarden aanspraak mocht maken op de lading en dat deze zonder dat zij over het voor haar bestemde cognossementsexemplaar kon beschikken aan haar diende te worden afgegeven, alsmede over onbegrijpelijkheid van de door het Hof in zijn rov. 5 aan dit oordeel verbonden gevolgtrekking dat [A] ten tijde van de cessie op 17 januari 1995 als afzender/eerste cognossementshouder geen vorderingsrecht meer had. Zoals het Hof heeft vastgesteld, heeft [A] op dezelfde dag - 21 februari 1994 - dat zij aan NWSC had laten weten begrepen te hebben dat Kredo rechtstreeks contact had opgenomen met Vneshtrans met het oog op het transport naar Moskou, aan de agent van NWSC in Antwerpen opgedragen de lading geblokkeerd te houden en nog niet aan Kredo af te geven. In het licht van deze feiten is 's Hofs oordeel, dat - kort gezegd - [A] ermee had ingestemd dat Kredo zonder cognossement over de lading wodka kon beschikken, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk.
3.6 De onderdelen 1 tot en met 4 behoeven voor het overige geen behandeling.
3.7 Onderdeel 5 faalt op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 41.
Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, A.G. Pos, O. de Savornin Lohman en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 29 november 2002.