24 januari 2003 Eerste Kamer Rek.nr. OK 96 HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: de vennootschap naar Belgisch recht PRO-IMMO-INVEST N.V., voorheen genaamd [A] N.V., gevestigd te [vestigingsplaats], België, VERZOEKSTER tot cassatie, advocaat: mr. J. Groen, t e g e n Mr. Hendrik Machiel DEN HOLLANDER, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van VILLAGE SCALDIA B.V., kantoorhoudende te Oostburg, VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. E. van Staden ten Brink. 1. Het geding in feitelijke instantie Bij beschikking van 10 april 1997 heeft de Ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam op verzoek van [B] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], hierna te noemen RCB (wier naam in mei 1997 is gewijzigd in Bouwprojecten Brabant B.V.), een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Village Scaldia B.V., gevestigd te Hoofdplaat, gemeente Oostburg, hierna te noemen de vennootschap, vanaf de aanvang van haar bestaan tot aan 23 januari 1997 met benoeming van Mr. J. Wind te Middelburg teneinde voormeld onderzoek te verrichten. Na depot op 5 december 1997 van het verslag van voormeld onderzoek ter griffie van het Hof heeft de Ondernemingskamer bij beschikking van 8 januari 1998 bepaald dat aan mr. Wind voor zijn werkzaamheden als onderzoeker een bedrag van ƒ 36.000,-- exclusief omzet-belasting toekomt en dat dit bedrag ten laste van de vennootschap komt. Met een op 5 februari 1998 ter griffie van het Gerechtshof te Amsterdam ingekomen verzoekschrift (rekestnr. 87/98 OK) heeft verweerder in cassatie - verder te noemen: de curator - zich gewend tot de Ondernemingskamer en op de voet van art. 2:355 BW verzocht: - te bepalen dat het verslag van de onderzoeker geheel voor een ieder ter inzage zal worden gelegd ter griffie van de Ondernemingskamer; - te beslissen dat de bestuurder van de vennootschap, RCB en verzoekster tot cassatie - verder te noemen: [verzoekster] - wanbeleid hebben gevoerd, en - RCB en [verzoekster] te veroordelen in de kosten van het geding. Met twee eveneens op 5 februari 1998 ingediende verzoekschriften (rekestnrs. 88/98 en 89/98 OK) heeft de curator de Ondernemingskamer verzocht om op de voet van art. 2:354 BW de kosten van het onderzoek geheel te mogen verhalen op onderscheidenlijk RCB en/of [verzoekster], daar uit het verslag blijkt dat dezen verantwoordelijk zijn voor een onjuist beleid en/of een onbevredigende gang van zaken van de rechtspersoon, met veroordeling van RCB en/of [verzoekster] in de kosten van de gedingen. [Verzoekster] en [B] hebben bij afzonderlijke verweerschriften het verzoek van de curator bestreden en verzocht de curator niet-ontvankelijk te verklaren in diens verzoeken, althans zijn verzoeken af te wijzen. De Ondernemingskamer heeft bij beschikking van 23 april 1998 in de zaak met rekestnr. 87/98 OK de curator ontvankelijk geoordeeld in zijn verzoek. Voorts heeft zij: - een nader onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van de vennootschap vanaf juni 1994 tot aan 23 januari 1997; - mr. P.N. Wakkie te Rotterdam benoemd teneinde voormeld onderzoek te verrichten en bepaald dat de onderzoeker elke drie maanden kort verslag van zijn bevindingen zal doen aan de Ondernemingkamer; - het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten vastgesteld op ƒ 2.5000,--, de omzetbelasting daarin niet begrepen, en bepaald dat de onderzoeker voor zijn werkzaamheden een bedrag van ƒ 300,-- per uur in rekening kan brengen te vermeerderen met omzetbelasting; - bepaald dat de vennootschap de kosten van het onderzoek zal betalen en dat binnen veertien dagen na de dagtekening van deze beschikking ten genoegen van de onderzoeker zekerheid moet worden gesteld voor de betaling van die kosten, en - iedere verdere beslissing aangehouden. Bij afzonderlijke beschikking van 23 april 1998 heeft de Ondernemingskamer in de zaken met rekestnrs. 88/98 en 89/98 OK geoordeeld dat de curator in zijn verzoeken kan worden ontvangen en heeft zij iedere verdere beslissing aangehouden. Nadat mr. Wakkie zijn verslag met bijlagen had doen toekomen aan de Ondernemingskamer, heeft de Ondernemingskamer bij beschikking van 11 september 1998 (rekestnr. 87/98 OK) op de voet van art. 2:353 lid 2 BW beslist dat het onderhavige verslag voor belanghebbenden ter griffie van de Ondernemingskamer ter inzage ligt. Bij beschikking van 18 september 1998 (rekestnr. 87/98 OK) heeft de Ondernemingskamer bepaald dat aan mr. Wakkie voor zijn werkzaamheden als onderzoeker toekomt een bedrag van ƒ 25.000,--, de omzetbelasting daarin niet begrepen. Met een op 8 november 2000 ter griffie van het Hof ingekomen verzoekschrift (rekestnr. 1008/2000 OK) heeft de curator de Ondernemingskamer verzocht:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.