4 maart 2003 Strafkamer nr. 02166/01 EW/SM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 1 mei 2001, nummer 22/001989-00, in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedatum] 1973, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 5 april 2000 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding primair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van subsidiair "openlijk met verenigde krachten geweld plegen tegen personen" veroordeeld tot 205 dagen gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en haar in die vordering gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard. 2. Geding in cassatie Het beroep, dat kennelijk niet is gericht tegen de gegeven vrijspraak, is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. J.M. Sjöcrona en mr. D.V.A. Brouwer, beiden advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De plaatsvervangend Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde de zaak opnieuw te berechten en af te doen. 3. Beoordeling van het eerste middel 3.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof de met de bewezenverklaring onverenigbare, doch met de gebruikte bewijsmiddelen niet strijdige mogelijkheid heeft opengelaten dat de verdachte niet met verenigde krachten geweld heeft gepleegd. In de toelichting wordt erop gewezen dat het Hof op het ter terechtzitting gevoerde verweer dat van enige vorm van samenwerking tussen de verdachte en zijn mededader geen sprake is geweest, niet uitdrukkelijk heeft beslist, terwijl dit verweer evenmin zijn weerlegging vindt in de gebezigde bewijsmiddelen. 3.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 januari 2001 houdt, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, in: - als verklaring van de verdachte: "Op 23 september 1999 ben ik met goede vrienden, te weten [het slachtoffer], [betrokkene 1] en [betrokkene 2], in een café geweest. [Betrokkene 2] en ik zijn als eersten weggegaan. Toen kwam de rest pas. Ik kreeg ruzie met [betrokkene 2], omdat hij mij aan de verdovende middelen verslaafd zou hebben gemaakt. Ik heb [betrokkene 2] toen een klap gegeven, maar heb daarvoor mijn excuses aangeboden. [Betrokkene 2] is vervolgens in een taxi vertrokken. Ik ging terug naar de jongens en ben vervolgens met [het slachtoffer] weggegaan. [Betrokkene 1] kwam ons achterna. Vervolgens ben ik [het slachtoffer] een beetje gaan duwen, hetgeen niet kwaad was bedoeld, en uiteindelijk zijn wij een beetje gaan vechten en kreeg ik hem op de grond. Ik heb hem laten vallen. Toen hij op de grond lag ben ik op zijn middenrif gaan zitten. Hij gaf zich over en ik was verder klaar met vechten. Toen ik echter wilde opstaan, zag ik [betrokkene 1] met een mes naar beneden zwaaien. Door mijn dijbeen op de buik van [het slachtoffer] te leggen kon ik voorkomen dat [het slachtoffer] erger werd geraakt dan uiteindelijk is gebeurd. Ik zag een bloedvlek op het hemd van [het slachtoffer], maar ik zag dat hij nog kon lopen. Ik ben toen weggelopen, omdat ik bang was voor de Indonesische vrienden van [het slachtoffer]. Ik weet dat de combinatie van behoorlijk wat cocaïne en alcohol mijn gedrag heeft veroorzaakt. Ik was niet stomdronken. Ook was ik na het feit boos op mijzelf. (...)"; - als hetgeen blijkens de aan het proces-verbaal gehechte pleitnotities door de raadsman onder meer naar voren is gebracht: "7. De verklaring van [verdachte] komt er kort gezegd op neer dat hij aan het worstelen, duwen of trekken was met [het slachtoffer] en geheel verrast werd doordat [betrokkene 1] [het slachtoffer] met een mes stak.(...) 11. De feiten zoals volgend uit de verklaring van cliënt leveren evenmin openlijke geweldpleging op. Het bestanddeel verenigde krachten kan niet worden bewezen.(...) 18. En hiermee raken wij de kern van deze zaak. Cliënt en [betrokkene 1] hebben namelijk geheel los van elkaar gehandeld. Ik merk daarbij op dat cliënt zich niet willens en wetens in een situatie heeft gebracht waarin hij het handelen van [betrokkene 1] redelijkerwijs kon verwachten. 19. Op grond van de verklaringen van zowel cliënt als [het slachtoffer] kan niet worden vastgesteld dat er sprake was van enige vorm van samenwerking tussen cliënt en [betrokkene 1], noch dat er sprake was van het geven van "(im)morele steun"." 3.3.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: "hij op 23 september 1999 te 's-Gravenhage met een ander op of aan een openbare weg openlijk met verenigde krachten geweld heeft gepleegd tegen [het slachtoffer], welk geweld bestond uit het vechten met [het slachtoffer] en het steken van [het slachtoffer] met een mes." Het Hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als hiervoor onder 1 weergegeven. 3.3.2. De bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen en toelichting daarop: "1. De verklaring van verdachte. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 30 januari 2001 verklaard - zakelijk weergegeven -: Op 23 september 1999 ben ik [het slachtoffer] gaan duwen en uiteindelijk zijn wij gaan vechten en kreeg ik hem op de grond. Toen hij op de grond lag, zag ik [betrokkene 1] met een mes naar beneden zwaaien. Ik zag een bloedvlek op het hemd van [het slachtoffer]. Ik ben toen weggelopen. 2. Een als bijlage bij proces-verbaal met nummer 1513/1999/47233 gevoegd proces-verbaal van verhoor aangever met nummer PL1513/1999/47233-40 d.d. 25 september 1999, op ambtseed respectievelijk ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend door J. van Laar, hoofdagent en P. Tortolero, hoofdagent van politie Haaglanden, welk proces-verbaal - zakelijk weergegeven - onder meer inhoudt (p. 64 en 65): als de op 25 september 1999 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [het slachtoffer]: Op 23 september 1999 zag ik dat [betrokkene 1] en [verdachte] met mij meeliepen. We liepen het Vaillantplein op. [Verdachte] begon mij te duwen. Op dat moment ontstond er een worsteling tussen [verdachte] en mij. Ik bemerkte dat [betrokkene 1] achter mij stond en ik zag dat hij links achter mij langs liep. Ik zag dat [betrokkene 1] ineens hard wegrende. Ik zag dat [verdachte] hard achter [betrokkene 1] aanrende. Op dat moment voelde ik iets warms op mijn buik. Ik merkte dat ik in mijn buik was gestoken. 3. Een als bijlage bij proces-verbaal met nummer 1513/1999/47233 gevoegd proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer PL1513/1999/47233-15 d.d. 23 september 1999, op ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend door T.P. Scholtes, hoofdagent van politie Haaglanden, welk proces-verbaal - zakelijk weergegeven - onder meer inhoudt: als de op 23 september 1999 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van verdachte: Op 23 september 1999 bevond ik mij te Den Haag en begon ik plotseling zonder aanleiding met [het slachtoffer] te vechten. Terwijl ik bovenop [het slachtoffer] op het trottoir lag zag ik dat [betrokkene 1] naderbij kwam. Ik heb gezien dat [betrokkene 1] twee keer heeft gestoken in het lichaam van [het slachtoffer]. 4. Het proces-verbaal van verhoor getuigen met RC-nummer 99/2361, d.d. 16 november 1999, opgemaakt en ondertekend door mr. R.A. Dozy, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, en E. de Ruig, griffier, welk proces-verbaal - zakelijk weergegeven - onder meer inhoudt: als de op 16 november 1999 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [betrokkene 3]: Op 23 september 1999 vertelde [betrokkene 1] mij dat hij iemand gestoken had, omdat die ruzie had met [verdachte]. Toen ik vroeg wie hij gestoken had, zei hij: "Die [slachtoffer]". Hij vertelde dat hij hem met een mes twee keer heeft gestoken. Toelichting met betrekking tot de bewijsmiddelen. Waar in de bovengenoemde bewijsmiddelen telkens de naam [het slachtoffer] wordt vermeld, leest het hof dit verbeterd in die zin dat het hof op basis van alle gebezigde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien aanneemt dat telkens de naam [slachtoffer] wordt bedoeld. Het hof acht het algemeen bekend dat het Vaillantplein te 's-Gravenhage een openbare weg is, evenals de daarop uitmondende Ruijsdaelstraat." 3.4.1. Uit de hiervoor onder 3.3.2 weergegeven bewijsmiddelen volgt dat het Hof heeft vastgesteld dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.