ECLI:NL:HR:2003:AF2847
21 maart 2003 Eerste Kamer Nr. C02/032HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. P. Garretsen, t e g e n [verweerder], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, niet verschenen.
De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 27 november 1998 de zaak naar de rol verwezen voor uitlating door beide partijen over de in conventie en in reconventie gevorderde schadevergoedingen en iedere verdere beslissing aangehouden.
Tegen dit tussenvonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Leeuwarden.
Bij arrest van 17 oktober 2001 heeft het Hof voormeld vonnis van de Rechtbank bekrachtigd en de zaak naar de Rechtbank te Groningen terugverwezen ter verdere behandeling en afdoening.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
Tegen de niet verschenen [verweerder] is verstek verleend. [Eiser] heeft de zaak doen toelichten door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot verwerping van het beroep.
Toen [eiser] in verzuim was geraakt met de voldoening van schulden aan de N.V. Rabobank Nederland en de Coöperatieve Rabobank Groningen e.o. (hierna: de banken), hebben deze op grond van hun recht van hypotheek een onroerende zaak van [eiser] (hierna: het perceel) in het openbaar doen verkopen. Het perceel is op 5 september 1996 bij inzet en op 19 september 1996 bij afslag geveild en toen aan [verweerder] toegewezen. Nadat de banken [verweerder] in gebreke hadden gesteld tegen 1 december 1996, heeft deze de koopsom op 2 december 1996 betaald, waarna de akte van veiling bij afslag - tevens houdende gunning - en de akte van kwijting in de openbare registers zijn ingeschreven.
Intussen had [eiser] op 22 november 1996 al zijn schulden aan de banken afgelost. De banken hebben op die datum hun hypotheek doen doorhalen. Op 28 november 1996 heeft [eiser] aan [verweerder] en de banken exploiten doen betekenen, onder meer inhoudende dat hij de overeenkomst van veilingkoop ontbonden verklaarde.
3.2 In conventie heeft [verweerder] vergoeding gevorderd van volgens hem op of omstreeks 27 september 1996 door [eiser] aan het perceel toegebrachte schade. [Eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat hij de overeenkomst heeft ontbonden en eigenaar van het perceel is gebleven. In reconventie heeft hij primair een verklaring voor recht van die strekking gevorderd. Subsidiair heeft hij gevorderd de overeenkomst te ontbinden met veroordeling van [verweerder] tot teruglevering van het perceel. Daarnaast heeft hij schadevergoeding gevorderd.
3.3 In cassatie gaat het alleen over de in reconventie aan de orde gestelde vraag of [eiser] bevoegd was de veilingkoop te ontbinden en eigenaar van het perceel is gebleven. Rechtbank en Hof hebben die vraag ontkennend beantwoord. Het Hof heeft, samengevat, geoordeeld dat [eiser] op grond van art. 3:269 BW tot het daar vermelde tijdstip van de toewijzing ter veiling bevoegd was tot lossing van het perceel, dat de gevolgen van een tekortschieten van de veilingkoper zijn geregeld in (onder meer) art. 527 e.v. Rv. en dat [eiser] niet de bevoegdheid toekwam de koopovereenkomst met [verweerder] te ontbinden. Naar het oordeel van het Hof is het standpunt van [eiser] dat die bevoegdheid hem in de gegeven omstandigheden wel toekwam, in strijd met het wettelijke stelsel zoals dat ligt besloten in genoemde wettelijke bepalingen en volgt een dergelijke bevoegdheid ook niet uit de toepasselijke veilingvoorwaarden of de eisen van redelijkheid en billijkheid.
3.4 Het tegen dit oordeel gerichte middel wordt tevergeefs voorgesteld. [Eiser] was geen partij bij de koopovereenkomst tussen de banken en [verweerder] en derhalve niet bevoegd deze te ontbinden, ook niet in geval van verzuim van [verweerder] als koper bij de nakoming van deze koopovereenkomst. Een zodanig verzuim doet, naast de in art. 527 Rv. vermelde bevoegdheid, alleen voor de executant, die krachtens zijn eigen wettelijk recht de zaak heeft verkocht, een recht op ontbinding ontstaan. Zoals het Hof met juistheid heeft geoordeeld, is het standpunt dat de geëxecuteerde schuldenaar in geval van verzuim van de koper bij de executoriale verkoop door een hypotheekhouder bevoegd is tot ontbinding van die koop, in strijd met het stelsel van de wet zoals neergelegd in de hiervoor in 3.3 genoemde bepalingen, en rechtvaardigen noch de toepasselijke veilingvoorwaarden noch de eisen van redelijkheid en billijkheid om aan te nemen dat [eiser] in dit geval desondanks die bevoegdheid had, ook al had hij intussen zijn schuld aan de banken afgelost. Hierop stuit het middel in al zijn onderdelen af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, A.G. Pos, O. de Savornin Lohman en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 21 maart 2003.