15 april 2003 Strafkamer nr. 01045/02/ AG/SM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Roermond van 24 augustus 2001, nummer 04/150245-99, in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak De Rechtbank heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Kantonrechter te Roermond van 11 augustus 1999 - de verdachte ter zake van "overtreding van het bij artikel 9 van de Jachtwet bepaalde" veroordeeld tot een geldboete van driehonderd gulden, subsidiair zes dagen hechtenis. 2. Geding in cassatie 2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Wouters, advocaat te Middelburg, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De plaatsvervangend Procureur-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 2.2. De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal. 3. Beoordeling van het middel 3.1. In het middel wordt aangevoerd dat de verdachte de door hem gebruikte middelen blijkens de bewijsmiddelen heeft gebezigd op het buiten de Oude Herkenbosserbaan gelegen jachtveld en dat er daarom geen sprake is geweest van jagen buiten het jachtveld. 3.2. De Rechtbank heeft bewezenverklaard dat de verdachte: "op 8 januari 1999 in de gemeente Roerdalen op een onverharde naamloze weg, welke weg de Oude Herkenbosserbaan wordt genoemd, zijnde veld als bedoeld in artikel 1 van de Jachtwet, tezamen en in vereniging met een ander heeft gejaagd, welk jagen bestond uit het opsporen en het doen van pogingen om te bemachtigen of te doden van een wild varken, zijnde wild als bedoeld in artikel 2 van de Jachtwet, terwijl dit jagen plaatsvond anders dan ter uitoefening van het genot van de jacht, dat de verdachte overeenkomstig het in de artikelen 4, 6 of 8 eerste en tweede lid van de Jachtwet toekwam of waarvan hem de uitoefening overeenkomstig het in de artikelen 7 of 8, derde lid van de Jachtwet bepaalde was toegestaan." 3.3. Art. 1 van de Jachtwet, zoals geldend ten tijde van de bewezenverklaarde feiten, houdt in dat onder jagen wordt verstaan: "het opsporen, bemachtigen of doden van wild en het doen van pogingen daartoe." 3.4. In cassatie moet, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, van het volgende worden uitgegaan. (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.