6 juni 2003 Eerste Kamer Nr. C01/356HR AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. H.A. Groen, t e g e n NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V., gevestigd te 's-Gravenhage, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. G.C. Makkink. 1. Het geding in feitelijke instanties Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 8 december 1995 verweerster in cassatie - verder te noemen: Nationale-Nederlanden - gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd: 1. te verklaren voor recht dat hij sedert 11 november 1994 jegens Nationale-Nederlanden aanspraak heeft op een uitkering uit hoofde van het ten behoeve van [eiser] bij Nationale-Nederlanden verzekerde arbeidsongeschiktheidspensioen; 2. Nationale-Nederlanden te veroordelen om aan [eiser] te betalen de somma van ƒ 49.105,70, te vermeerderen met de wettelijke rente. Nationale-Nederlanden heeft de vordering bestreden. De Rechtbank heeft bij vonnis van 30 oktober 1996 de vordering afgewezen. Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Na tussenarresten van 2 juli 1998, 4 februari 1999, 16 maart 2000, 7 september 2000 en getuigenverhoor op 12 december 2000 heeft het Hof bij eindarrest van 6 september 2001 het vonnis waarvan beroep bekrachtigd. Voornoemde arresten van het Hof zijn aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen alle arresten van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Nationale-Nederlanden heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot vernietiging van de bestreden arresten. 3. Beoordeling van het middel 3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten en omstandigheden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.2-1.12. 3.2 Kort samengevat gaat het in deze zaak om het volgende. [Eiser] vordert uitkering onder een door Holding Kobra Asten B.V. (hierna: HKA), waarvan hij tot 1997 enig directeur en aandeelhouder is geweest, bij Nationale-Nederlanden gesloten arbeidsongeschiktheidsverzekering, waarbij hij de enige verzekerde was. Nationale-Nederlanden heeft uitkering geweigerd op de grond dat het hier om een schadeverzekering gaat en het verzekerbaar belang was komen te ontbreken, daar het sinds 1991 door [eiser] genoten inkomen vrijwel nihil is geweest en Nationale-Nederlanden op die grond de verzekering per 1 januari 1991 heeft geroyeerd. [eiser] heeft primair aangevoerd dat de onderhavige verzekering geen schadeverzekering maar een sommenverzekering is en derhalve het door hem van HKA ontvangen inkomen niet van belang is. Subsidiair heeft hij aangevoerd dat de verzekering strekt tot verzekering van zijn verdiencapaciteit als zodanig; deze grond is in cassatie niet meer aan de orde. Meer subsidiair heeft hij betwist dat er geen sprake zou zijn van een verzekerbaar belang. De Rechtbank heeft de vordering van [eiser] afgewezen; het Hof heeft het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd. 3.3.1 De onderdelen 1 en 2 van het middel komen op tegen het oordeel van het Hof dat de onderhavige verzekering een schadeverzekering is. 3.3.2 Het Hof heeft in rov. 4 van zijn eerste tussenarrest, gedateerd 2 juli 1998, overwogen dat uit het/de ten processe overgelegde polisblad en polisbepalingen blijkt, dat deze collectieve verzekering betreft "de ten behoeve van de individuele werknemer krachtens deze overeenkomst gesloten verzekering van arbeidsongeschiktheidspensioen" (art. 1.3), met de strekking "verzekerd is een door de maatschappij te verrichten uitkering van a.o.-pensioen tijdens arbeidsongeschiktheid van de verzekerde na het verstrijken van de eigen risicotermijn" (art. 6), maar dat in die stukken niet met name is vermeld dat de verzekering strekt tot het schadeloos stellen van de verzekerde werknemer wegens derving van inkomen ten gevolge van arbeidsongeschiktheid. Op grond van hetgeen vooraf is gegaan aan het sluiten van de verzekering en enige andere feiten komt het Hof echter in rov. 6 tot het oordeel, dat [eiser] de polisbepalingen redelijkerwijs heeft moeten opvatten in die zin dat de uitkeringen ingevolge deze verzekering mede zijn gebaseerd op zijn arbeidsinkomen en dat de verzekering strekt tot schadeloosstelling voor derving van inkomen ten gevolge van arbeidsongeschiktheid, zodat deze verzekering moet worden aangemerkt als een schadeverzekering. 3.3.3 Onderdeel 1 klaagt dat het Hof heeft miskend dat bij een sommenverzekering niet is uitgesloten dat het motief bij de verzekeringnemer tot het aangaan van de verzekering is gelegen in het door de verzekerde ontvangen van een uitkering in geval van een schadeveroorzakend voorval, welke uitkering al dan niet kan worden aangewend voor het compenseren van door het voorval geleden schade, en de verzekering dus in zoverre strekt tot schadeloos stellen, en dat die strekking (van schadeloos stellen) derhalve niet relevant, althans niet doorslaggevend is voor de aard van de verzekering. Beslissend is, aldus het onderdeel, of de verzekeringsovereenkomst de hoogte van de uitkering afhankelijk stelt van de als gevolg van een onzeker voorval geleden schade. Het onderdeel faalt, aangezien het Hof zijn oordeel niet uitsluitend heeft gebaseerd op de bedoeling van de verzekeringnemer, doch op hetgeen de verzekeraar en de verzekeringnemer zijn overeengekomen en hetgeen de verzekerde te dien aanzien redelijkerwijs heeft moeten begrijpen en daarbij overeenkomstig de door het middel bedoelde maatstaf met name (ook) heeft onderzocht of [eiser] de polisvoorwaarden redelijkerwijs heeft moeten opvatten in die zin dat de uitkering ingevolge de verzekering strekt tot vergoeding van (werkelijk geleden) schade wegens het derven van inkomen dat bij het uitblijven van het voorval zou zijn verdiend. 3.3.4 Onderdeel 2.1 klaagt dat het Hof heeft miskend dat het bij de uitleg van een verzekeringsovereenkomst als de onderhavige, in geval van een aanspraak van een derde op uitkering uit hoofde van de overeenkomst, in beginsel aankomt op de zin waarin [eiser] als verzekerde derde de polisbepalingen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht opvatten. Het onderdeel kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden, nu het Hof juist in rov. 4 van het eerste tussenarrest als uitgangspunt heeft genomen dat, nu partijen van mening verschillen omtrent de uitleg van de verzekeringsovereenkomst op dit punt, het aankomt op de zin waarin [eiser] als verzekerde derde deze polisbepalingen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht opvatten, waarbij wetenschap van HKA niet zonder meer aan [eiser] valt toe te rekenen. Deze overweging is in cassatie niet bestreden. 3.3.5 Onderdeel 2.2 somt allereerst een aantal omstandigheden op, waarop [eiser] zich heeft beroepen ten betoge dat de onderhavige verzekering een sommenverzekering is, en verbindt hieraan vervolgens enige rechts- en motiveringsklachten. Onderdeel 2.3 komt op tegen de betekenis die het Hof heeft gehecht aan de inhoud van de offerte van 17 april 1987 en van het daaraan voorafgegane aanvraagformulier. De klacht dat, voorzover het Hof van oordeel mocht zijn dat deze omstandigheden niet relevant zijn voor de vraag of sprake is van een sommenverzekering, dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, mist feitelijke grondslag. Het Hof heeft onderkend dat de aan hem voorgelegde gegevens betreffende de verzekering niet eenduidig waren en is op grond van een afweging tot het oordeel gekomen dat de verzekering een schadeverzekering is. Daarbij heeft het Hof in het bijzonder betekenis gehecht aan (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.