27 juni 2003 Eerste Kamer Nr. C02/003HR MD Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. B.D.W. Martens, t e g e n [verweerder], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties Verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - heeft bij exploit van 9 juni 1998 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - gedagvaard voor de Kantonrechter te Alkmaar en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad als volgens de wet: 1. te verklaren voor recht dat het door [eiser] aan [verweerder] op 30 januari 1998 gegeven ontslag op staande voet nietig is; 2. [eiser] te veroordelen om aan [verweerder] te betalen diens salaris ten bedrage van ƒ 3.172,-- bruto per maand, te rekenen vanaf 1 januari 1998 tot aan de dag dat aan de arbeidsovereenkomst een rechtsgeldig einde zal komen, alsmede te veroordelen tot betaling van 8% vakantiegeld over dit bedrag en tot betaling van de geldelijke tegenwaarde van 42 niet door [verweerder] genoten vakantiedagen, alles te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 januari 1998 en wettelijke vertragingsrente. [Eiser] heeft de vorderingen bestreden en in reconventie gevorderd [verweerder] te veroordelen om aan [eiser] te betalen een bedrag van ƒ 3.460,36, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 januari 1998 tot en met de dag der algehele voldoening. [Verweerder] heeft in reconventie de vordering bestreden. De Kantonrechter heeft bij vonnis van 28 april 1999 in conventie voor recht verklaard dat het door [eiser] aan [verweerder] op 30 januari 1998 gegeven ontslag op staande voet nietig is, [eiser] veroordeeld om aan [verweerder] te betalen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.