24 juni 2003 Strafkamer nr. 01948/02 LR/ABG Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 31 juli 2002, nummer 20/001314-01, in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1980, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 7 maart 2001, waarbij de verdachte - toen nog bekend onder N.N. - is vrijgesproken van het haar bij inleidende dagvaarding onder 1 primair tenlastegelegde en zij voorts ter zake van 1 subsidiair "medeplegen van: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen" en 2. "zonder daartoe gerechtigd te zijn, zich op andermans grond waarvan de toegang op een voor haar kenbare wijze door de rechthebbende is verboden, bevinden" is veroordeeld ten aanzien van feit 1 subsidiair tot een geldboete van ƒ 340,--, subsidiair zes dagen hechtenis en ten aanzien van feit 2 tot een geldboete van zestig gulden, subsidiair één dag hechtenis. 2. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. E.Th. Hummels, advocaat te Zeist, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De plaatsvervangend Procureur-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 3. Beoordeling van het middel 3.1. Het middel richt zich tegen de beslissing van het Hof strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep. 3.2. De bestreden uitspraak houdt dienaangaande in: "Blijkens de akte beroep d.d. 19 maart 2001 is in de onderhavige zaak hoger beroep ingesteld tegen een ten laste van "N.N." gewezen vonnis, welk beroep is ingesteld door mr. Hummels, advocaat te Zeist, die heeft verklaard daartoe door "N.N." bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd. Naar het oordeel van het hof moet uit het bepaalde in de artikelen 449-452 van het Wetboek van Strafvordering worden afgeleid dat een verdachte te wiens laste een rechterlijke beslissing is gegeven waarin hij op andere wijze dan bij naam is aangeduid, geen rechtsmiddel tegen een einduitspraak kan aanwenden anders dan onder bekendmaking van zijn persoonsgegevens. Nu het namens de verdachte ingestelde hoger beroep niet aan deze voorwaarde voldoet, kan de verdachte niet in het hoger beroep worden ontvangen. De omstandigheid dat bij brief van de raadsman van de verdachte d.d. 30 oktober 2001 de persoonsgegevens van de verdachte bekend zijn gemaakt, brengt naar het oordeel van het hof, nu zulks eerst is geschied na het verstrijken van de wettelijke beroepstermijn, niet mee dat verdachte alsnog ontvankelijk zou kunnen worden geacht in het hoger beroep." 3.3. De stukken van het geding houden het volgende in: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.