17 oktober 2003 Eerste Kamer Nr. C02/089HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. D. Rijpma, t e g e n de vennootschap naar Duits recht BERLIN CHEMIE AG, gevestigd te Berlijn, Bondsrepubliek Duitsland, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. J.I. van Vlijmen. 1. Het geding in feitelijke instanties Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploot van 21 juni 2001 verweerster in cassatie - verder te noemen: Berlin Chemie - in kort geding gedagvaard voor de president van de rechtbank te Arnhem en gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: 1. primair: de vier in het petitum van de dagvaarding vermelde beslagen op te heffen, en subsidiair: Berlin Chemie te veroordelen deze beslagen binnen 24 uur na betekening van het in deze te wijzen vonnis op te heffen, zulks op straffe van een dwangsom van ƒ 10.000,-- voor elke dag dat zij daarmee geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft; 2. Berlin Chemie te gebieden zich te onthouden om ter zake van hetzelfde feitencomplex nog verder beslag te leggen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van ƒ 25.000,-- per overtreding en per dag dat deze overtreding voortduurt. Berlin Chemie heeft de vordering bestreden. De president heeft bij vonnis van 13 juli 2001 de gevorderde voorzieningen geweigerd. Tegen dit vonnis heeft [eiser] bij exploot van 27 juli 2001, uitgebracht aan het kantoor van mr. F.J. Boom, de procureur van Berlin Chemie in eerste aanleg, beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem. Berlin Chemie werd daarbij opgeroepen tegen de rolzitting van het hof van 7 augustus 2001. Omdat verzuimd was de zaak ter rolle van het hof in te schrijven, heeft [eiser] vervolgens op 9 augustus 2001 een herstelexploot doen uitbrengen. Daarbij is Berlin Chemie opgeroepen tegen de rolzitting van het hof van 23 augustus 2001. Op deze rolzitting is Berlin Chemie niet verschenen. Het hof heeft de beslissing op het verzoek van [eiser] tegen Berlin Chemie verstek te verlenen aangehouden om [eiser] in de gelegenheid te stellen Berlin Chemie op te roepen overeenkomstig art. 4 sub 7 (oud) Rv. en de op 31 mei 2001 in werking getreden Verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad van 29 mei 2000 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken, PbEG L 160/37 (hierna: de Verordening). Bij exploot van 7 september 2001, betekend aan het parket van de procureur-generaal bij het hof, is Berlin Chemie opgeroepen tegen de rolzitting van het hof van 9 oktober 2001. Ook op deze rolzitting is Berlin Chemie niet verschenen. De beslissing op het verzoek van [eiser] om tegen Berlin Chemie verstek te verlenen is wederom door het hof aangehouden, ditmaal in afwachting van het verstrekken van gegevens waaruit blijkt dat ten aanzien van de betekening of kennisgeving is voldaan aan art. 19 van de Verordening. Deze gegevens zijn verstrekt ter rolzitting van het hof van 4 december 2001. Bij arrest van 18 december 2001 heeft het hof het tegen Berlin Chemie gevraagde verstek geweigerd en verstaan dat de instantie is geëindigd. Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Berlin Chemie heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt ertoe dat de Hoge Raad, alvorens verder te beslissen, het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen zal verzoeken over de in de conclusie bedoelde vragen van uitlegging van de Verordening uitspraak te doen, en het geding zal schorsen totdat het Hof van Justitie uitspraak zal hebben gedaan. 3. Beoordeling van het middel 3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de hiervoor onder 1 vermelde feiten. 3.2 Het hof heeft in de bestreden uitspraak als volgt overwogen: "3.1 Uit de verstrekte gegevens blijkt dat de betekening of kennisgeving van de dagvaarding aan Berlin Chemie heeft plaatsgevonden volgens de Duitse wetgeving, maar dat Berlin Chemie geweigerd heeft de stukken in ontvangst te nemen, omdat deze niet in de Duitse taal waren vertaald. 3.2 De in Duitsland aangeboden dagvaarding is niet vertaald in de officiële taal van de aangezochte staat of in een taal die degene voor wie de dagvaarding bestemd is, begrijpt. Daarmee is niet voldaan aan het vereiste van artikel 8 van de EU-Betekeningsverordening. Hieraan moet het gevolg worden verbonden dat het gevraagde verstek moet worden geweigerd." 3.3.1 Het middel klaagt dat het hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in zijn hiervoor weergegeven rov. 3.2 te oordelen dat het verstek moet worden geweigerd. Het hof had, aldus het middel, zonder meer verstek moeten verlenen, subsidiair een nieuwe rechtsdag moeten bepalen en moeten gelasten dat Berlin Chemie tegen die dag zou worden opgeroepen met herstel van eventuele fouten van het eerdere exploot. Het middel betreft de uitleg van art. 8 van de Verordening. Dit artikel luidt als volgt: "1. De ontvangende instantie deelt degene voor wie het stuk is bestemd mee dat hij kan weigeren het stuk dat betekend of ter kennis moet worden gebracht, in ontvangst te nemen indien het in een andere dan een van de volgende talen is gesteld:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.