28 november 2003 Eerste Kamer Nr. C02/134HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiseres], wonende te [woonplaats], EISERES tot cassatie, advocaat: mr. P. Garretsen, t e g e n 1. [Advocatenkantoor X], gevestigd te [vestigingsplaats], 2. [Advocaat Y], wonende te [woonplaats], VERWEERSTERS in cassatie, advocaat: mr. G.C. Makkink. 1. Het geding in feitelijke instanties Eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - heeft bij exploot van 21 juli 1998 verweersters in cassatie - verder tezamen ook te noemen: [advocatenkantoor X] c.s. - gedagvaard voor de rechtbank te Dordrecht en gevorderd: 1. voor recht te verklaren dat [advocaat Y] in de uitoefening van haar beroep een kunstfout heeft begaan, ten gevolge waarvan [eiseres] schade heeft geleden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; 2. [advocatenkantoor X] c.s. te veroordelen aan [eiseres] te betalen de som van ƒ 120.000,--, ten titel van voorschot op de vergoeding van bovengenoemde nader te bepalen schade. [Advocatenkantoor X] c.s. hebben de vordering bestreden. De rechtbank heeft bij vonnis van 19 januari 2000 de vordering afgewezen. Tegen dit vonnis heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. [Advocatenkantoor X] c.s. hebben incidenteel hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 19 december 2001 heeft het hof het bestreden vonnis bekrachtigd. Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. [Advocatenkantoor X] c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot verwerping van het beroep. 3. Beoordeling van de middelen 3.1 In deze zaak gaat het om het volgende. [Advocaat Y] heeft [eiseres] van juli 1978 tot medio 1984 als advocaat bijgestaan in een echtscheidingsprocedure en de daarmee samenhangende boedelscheiding. Bij een bespreking op 9 december 1981, waar [advocaat Y] aanwezig was maar [eiseres] niet, is met betrekking tot de boedelscheiding een schikking getroffen inhoudende dat wegens overbedeling aan [eiseres] een bedrag van ƒ 244.000,-- zou worden betaald en als "afkoopsom alimentatie" ƒ 120.000,--. Stellende dat zij in de schikking niet gekend was, dat [advocaat Y] niet gemachtigd was deze aan te gaan, dat het bij het bedrag van ƒ 120.000,-- om een overbedelingsvordering ging en niet om de afkoop van alimentatie, maar dat zij desondanks over dat bedrag wel inkomstenbelasting en premies heeft moeten betalen en haar alimentatievordering afgewezen zag, heeft [eiseres] zich bij dagvaarding van 21 juli 1998 met de hiervoor onder 1. vermelde vordering tot schadevergoeding tot de rechtbank gewend. De rechtbank, van oordeel dat [advocatenkantoor X] c.s. zich terecht op verjaring beriepen, heeft de vordering afgewezen. In hoger beroep heeft het hof daarentegen geoordeeld dat de verjaring gestuit was door de, in rov. 2.2 van het bestreden arrest aangehaalde, brieven van 17 maart 1992 en 12 maart 1997, maar het heeft het door [advocatenkantoor X] c.s. gedane beroep op rechtsverwerking gegrond bevonden. Tegen dit laatste keert zich middel I. 3.2.1 De onderdelen 1.3 tot en met 1.5 van dit middel - de onderdelen 1.1 en 1.2 bevatten een inleiding - klagen over onjuistheid of onbegrijpelijkheid van het oordeel van het hof dat [eiseres] haar rechten jegens [advocaat Y] ter zake van de door haar gestelde beroepsfout heeft verwerkt, nu zij - door telkens na aanvankelijke aansprakelijkstelling van [advocaat Y] vervolgens tot zesmaal toe gedurende maar liefst negen jaar niet tot dagvaarding over te gaan - bij [advocaat Y] de gerechtvaardigde indruk heeft gewekt dat zij de door haar gestelde aanspraak op schadevergoeding uiteindelijk, ondanks andersluidende brieven, toch niet in rechte geldend zou maken (rov. 7 en 9). Met deze andersluidende brieven heeft het hof het oog op een zestal in zijn arrest nader aangeduide, uit de periode van 21 april 1989 tot midden 1998 - [eiseres] heeft [advocaat Y] eerst op 21 juli 1998 gedagvaard - daterende brieven waarin [advocaat Y] namens [eiseres] aansprakelijk wordt gesteld voor de door haar als gevolg van de gestelde beroepsfout geleden schade. 3.2.2 Onderdeel 1.3 betoogt in de eerste plaats dat het hiervoor in 3.2.1 weergegeven oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, gelet op
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.