14 oktober 2003 Strafkamer nr. 02376/02 EW/SM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 31 juli 2002, nummer 20/001306-01, in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1943, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 7 maart 2001 - de verdachte ter zake van (parketnummer 01/057045-00) "opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen", (parketnummer 01/050341-99) 1. en 3. telkens opleverende: "opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen" en 2. "zonder daartoe gerechtigd te zijn, zich op andermans grond waarvan de toegang op een voor haar kenbare wijze door de rechthebbende is verboden, bevinden" ten aanzien van parketnummer 01/057045-00 en parketnummer 01/050341-99 onder 1 en 3 veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren alsmede tot het verrichten van een taakstraf die bestaat uit een werkstraf voor de duur van 140 uren, subsidiair zeventig dagen hechtenis en ten aanzien van parketnummer 01/050341-99 onder 2 bepaald dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij afgewezen. 2. Geding in cassatie 2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. E.Th. Hummels, advocaat te Zeist, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 2.2. De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal. 3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep 3.1. Het bestreden arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 31 juli 2002 heeft voor wat betreft feit 2 (parketnummer 01/050341-99) betrekking op een overtreding (art. 461 Sr); het Hof heeft ter zake van dat feit toepassing gegeven aan art. 9a Sr en bepaald dat geen straf of maatregel wordt opgelegd. Ingevolge het sedert 1 januari 2002 toepasselijke art. 427 Sv staat tegen arresten van de gerechtshoven betreffende overtredingen beroep in cassatie niet open indien (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.