7 oktober 2003 Strafkamer nr. 01719/03 U LR/SM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te Breda van 25 juni 2003, nummer IRC 2003009321, op een verzoek van de Republiek Frankrijk tot uitlevering van: [de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum] 1962, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Rijnmond", (Huis van Bewaring "De Schie") te Rotterdam.
(94)een controle uit op de passagiers van vlucht IJ 1876 afkomstig uit CAYENNE en hielden [betrokkene 1] staande die in totaal 56 bolletjes cocaïne had verstopt, verdeeld over haar BH, haar buik en geslachtsorganen. [Betrokkene 2] en [betrokkene 3] vervoerden in het lichaam cocaïne, in totaal 94 en 116 bolletjes met een gewicht van respectievelijk 650 gram en 850 gram. Vanwege deze ontdekking werden zij naar een medische dienst gebracht om de ingeslikte stoffen te lozen. In totaal scheidden de drie betrokken 266 bolletjes uit, waarin 1900 gram cocaïne zat waarvan de zuiverheidgraad varieerde tussen 84% en 90%. Zowel tijdens het ophouden door de Douane als tijdens hun inverzekeringstelling noemden [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] de naam van een zekere [betrokkene 8], iemand van Surinaamse nationaliteit die 'taki-taki' sprak, als zijnde de opdrachtgever van deze actie, waarvan de eindbestemming AMSTERDAM was. Als verdachte [vertaalster: bij de rechter-commissaris] bleven [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] bij hun eerste verklaringen. In twee brieven, gericht aan de rechter-commissaris en bevestigd door een verhoor over de zaak zelf, onthulde [betrokkene 2] dat de organisator van de cocaïnehandel (werver, leverancier van cocaïne en contant geld) in werkelijkheid een zekere [betrokkene 5] was en dat degene voor wie de verdovende middelen bestemd waren [de opgeëiste persoon] heette, van wie hij het telefoonnummer in NEDERLAND (omgeving [woonplaats]) gaf. In een brief gericht aan de rechter-commissaris wijzigde [betrokkene 1] deels haar verklaringen, waarbij ze vasthield aan het bestaan van [betrokkene 8]. maar daarbij de betrokkenheid, de samenwerking onthulde van een vrouw die mogelijk [betrokkene 5] heet. Tijdens een door de rechter-commissaris georganiseerde algemene confrontatie, [stempel: voor eensluidend verklaard afschrift - de griffier - handtekening] beschuldigden [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] eenstemming [betrokkene 5] ervan dat zij degene was die hen had aangeworven, van adviezen had voorzien en vervolgens naar het vliegveld van CAYENNE had gebracht. Op 11 september 2002 werd [betrokkene 5], geboren [geboorteplaats], bij haar aankomst van een vlucht uit CAYENNE staande gehouden. Tijdens haar verhoor door de politie, gaf zij aan dat ze was benaderd door [betrokkene 6] en haar echtgenoot [de opgeëiste persoon] om deze cocaïnesmokkel met bestemming Amsterdam uit de voeren. Zij verklaarde verder dat de persoon die de cocaïnebolletjes aan de betreffende drie koeriers had afgegeven, de broer was van [betrokkene 6], [betrokkene 4], die met de koeriers was meegereisd van Saint Laurent du Maroni naar CAYENNE, zodat ze daar het vliegtuig naar PARIJS konden nemen en die haar het benodigde geld had gegeven om de vliegtickets te kopen. [Betrokkene 5] werd op 13 september 2002 als verdachte aangemerkt; ze gaf bij de Rechter-Commissaris de feiten toe die haar werden verweten, volhardde bij haar eerdere verklaringen en bevestigde dat ze te werk was gegaan volgens de instructies van [de opgeëiste persoon], [betrokkene 4] en [betrokkene 6]. Uit onderzoek van de Centrale Dienst voor Drugsbestrijding (Office Centrale pour la Répression du Trafic illicite de Stupéfiants) bleek dat de hoofdorganisator van deze internationale cocaïnehandel en degene voor wie deze handel in Nederland bestemd was, de volgende identiteit bezat: [De opgeëiste persoon] Geboren op [geboortedatum] 1962 te [geboorteplaats] (Maroni)-SURINAME Nederlandse nationaliteit Wonende aan de [a-straat 1] [Postcode, woonplaats] (NEDERLAND) Betrokkene staat zeer ongunstig bekend bij de Nederlandse autoriteiten, met name wegens betrokkenheid bij drugshandel in AMSTERDAM in
- [De opgeëiste persoon] woont samen met een zekere [...] of [betrokkene 6], geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats]. Ze hebben een vast telefoonnummer: 00.31.[001]. Nederlandse nummer zijn: 06.[002], 06.[003] en tenslotte 06.[004]. Nog een ander telefoonnummer kwam naar voren, nummer 00.31.[005] dat gebruikt was door [betrokkene 6], bekend wegens diefstal (feiten gepleegd op 14 oktober 1997) en valsheid in geschrifte, gepleegd op 28 januari
- Ze bezitten twee auto's een paarse BMW M3 en een rode Citroën AX. Ze wonen in een appartement, op de begane grond van een huis. [...] of [betrokkene 6] is eveneens bij de drugshandel betrokken, net als haar broer [betrokkene 4], die niemand anders is dan de leverancier van de vervoerde cocaïne. Deze woont gewoonlijk in SURINAME." 3.4.
- Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. De uitlevering dient ontoelaatbaar te worden verklaard indien: a. de door de verzoekende Staat overgelegde stukken voor geen andere uitleg vatbaar zijn dan dat de uitlevering wordt verzocht om de opgeëiste persoon te kunnen vervolgen of bestraffen ter zake van het niet vervullen van douanevoorschriften bij de invoer of uitvoer van verdovende middelen die niet verkeren in het door de bevoegde autoriteiten streng bewaakte handelsverkeer ten behoeve van het gebruik voor medische en wetenschappelijke doeleinden, zodat geen schulden wegens douanerechten en omzetbelasting kunnen ontstaan, en tevens b. die voorschriften uitsluitend strekken tot bescherming van het stelsel van heffing van of de vaststelling van de rechten of belastingen die volgens het recht van de verzoekende Staat ter zake verschuldigd zouden zijn. In dat geval is er immers geen wettelijke bepaling aan te wijzen op grond waarvan een dergelijk feit als eenzelfde inbreuk op de Nederlandse rechtsorde strafbaar is, zodat niet is voldaan aan het vereiste van de dubbele strafbaarheid. 3.4.
- Opmerking verdient voorts dat het vereiste van de dubbele strafbaarheid niet vergt dat een met de buitenlandse delictsomschrijving als zodanig overeenstemmende Nederlandse strafbepaling bestaat. Het materiële feit waarvoor de uitlevering is verzocht en dat strafbaar is naar het recht van de verzoekende Staat, dient binnen de termen van een Nederlandse strafbepaling te vallen. Daarbij doet dus niet ter zake of de buitenlandse strafbaarstelling in alle opzichten overeenstemt met de Nederlandse. Voldoende is dat die buitenlandse strafbaarstelling in de kern hetzelfde rechtsgoed beschermt als de Nederlandse strafbaarstelling. In dat geval kan worden gezegd dat een wettelijke bepaling is aan te wijzen op grond waarvan het materiële feit als eenzelfde inbreuk op de Nederlandse rechtsorde strafbaar is gesteld. Daarvan is sprake indien de strafbaarstelling in de vreemde Staat in het algemeen strekt tot het tegengaan van de in- en/of uitvoer van verboden of gevaarlijke goederen, terwijl in Nederland de strafbaarstelling in het bijzonder strekt tot het tegengaan van de in- en/of uitvoer van verdovende middelen (vgl. HR 4 februari 2003, LJN AF0451). Dat is in deze zaak het geval. 3.
- De Rechtbank heeft de uitlevering toelaatbaar verklaard voorzover het verzoek betrekking heeft op - onder meer - de invoer van cocaïne in Frankrijk. Voorzover die feiten overtredingen van de Franse douanewetgeving betreffen, heeft de Rechtbank de uitlevering evenwel ontoelaatbaar verklaard. In aanmerking genomen dat de Rechtbank niets heeft vastgesteld waaruit zou kunnen volgen dat het hiervoor onder 3.4.1 bedoelde geval zich voordoet, alsmede gelet op de omstandigheid dat de bedoelde strafbaarstelling in Frankrijk naar de kern eenzelfde rechtsgoed beschermt als art. 2 onder A van de Opiumwet in Nederland, geeft het oordeel van de Rechtbank dat de uitlevering voorzover betrekking hebbend op de overtreding van de Franse douanewetgeving ontoelaatbaar moet worden verklaard, blijk van een onjuiste rechtsopvatting. 3.
- Het middel is dus terecht voorgesteld.
- Beoordeling van het eerste middel van de opgeëiste persoon Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
- Beoordeling van het tweede middel van de opgeëiste persoon 5.
- Het middel bevat de klacht dat de Rechtbank, met miskenning van art. 47, eerste lid, UW en art. 20 EUV, heeft verzuimd in het dictum van de bestreden uitspraak op te nemen haar beslissing dat de vordering tot overdracht van inbeslaggenomen voorwerpen wordt afgewezen. 5.
- De bestreden uitspraak houdt dienaangaande in: "Tijdens de doorzoeking van de woning van de opgeëiste persoon zijn verschillende goederen in beslag genomen. De rechtbank zal de vordering tot overdracht afwijzen nu haar niet gebleken is dat een van de inbeslaggenomen goederen relevant is voor de beoordeling van het feit door de Franse autoriteiten. Het feit waarvan de opgeëiste persoon verdacht wordt heeft immers in augustus 2001 plaatsgevonden. De inbeslagname bijna twee jaar later." Het dictum van de bestreden uitspraak behelst niets met betrekking tot inbeslaggenomen voorwerpen. 5.
- Gelet op het oordeel van de Rechtbank is kennelijk als gevolg van een misslag verzuimd de afwijzing van de vordering tot overdracht van inbeslaggenomen voorwerpen ook in het dictum tot uitdrukking te brengen. De Hoge Raad leest de bestreden uitspraak met herstel van deze misslag. Hierdoor komt de feitelijke grondslag aan het middel te ontvallen. 5.
- Het middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.
- Beoordeling van het derde middel van de opgeëiste persoon 6.
- Het middel bevat de klacht dat in de bestreden uitspraak niet tot uitdrukking komt of de uitlevering - voorzover deze niet ontoelaatbaar is verklaard - ter fine van vervolging of ter fine van tenuitvoerlegging toelaatbaar wordt verklaard. 6.
- De bestreden uitspraak houdt in dit verband het volgende in: "De opgeëiste persoon wordt ervan verdacht de feiten te hebben gepleegd die zijn omschreven in de hiervoor genoemde uiteenzetting van de feiten. Tegen hem is in verband met die verdenking het hiervoor genoemde bevel tot aanhouding bij verstek uitgevaardigd. Op dit bevel tot aanhouding bij verstek is dit verzoek tot uitlevering gebaseerd." 6.
- In dat oordeel van de Rechtbank ligt besloten dat het verzoek tot uitlevering is gedaan ter fine van strafvervolging. 6.
- Het middel faalt dus.
- Slotsom Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als moet worden beslist.
- Beslissing De Hoge Raad: Vernietigt de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voorzover daarin de uitlevering ten dele ontoelaatbaar is verklaard; Verwerpt het beroep van de opgeëiste persoon. Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend-griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 7 oktober 2003.