19 december 2003 Eerste Kamer Nr. C02/214HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. K.T.B. Salomons, t e g e n 1. [Verweerder 1], 2. [Verweerster 2], beiden wonende te [woonplaats], VERWEERDERS in cassatie, advocaat: mr. M. Ynzonides. 1. Het geding in feitelijke instanties Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploten van 3 oktober 1997 verweerders in cassatie - verder te noemen: [verweerders] - ieder afzonderlijk gedagvaard voor de kantonrechter te Amsterdam en - na wijziging van eis bij conclusie van repliek - gevorderd bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: 1. voor recht te verklaren dat sprake is van verhuur van woonruimte door [verweerders] als bedoeld in art. 7A:1623 a e.v. (oud) BW; 2. [verweerders] te veroordelen hun verplichtingen uit hoofde van de sub 1 bedoelde huurovereenkomst jegens [eiser] na te komen, door hem binnen 24 uur na betekening van het te dezen te wijzen vonnis toe te laten tot het gehuurde en hem in het bezit te stellen van de sleutels van het gehuurde, zulks op verbeurte van een dwangsom van ƒ 2.000,-- voor iedere dag of een gedeelte daarvan dat zij in gebreke mochten blijven aan het te dezen te wijzen vonnis te voldoen. 3. [verweerders] te veroordelen om binnen vijf dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis de in zijn opdracht door Verhuisbedrijf [A] uit het gehuurde genomen en bij voormeld verhuisbedrijf in opslag gegeven zaken welke in eigendom toebehoren aan [eiser] terug te plaatsen in het gehuurde, zulks op verbeurte van een dwangsom van ƒ 200,-- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [verweerders] in gebreke mochten blijven aan het te dezen te wijzen vonnis te voldoen. In de zaak tegen [verweerder 1] heeft [eiser] voorts gevorderd: 4. [verweerder 1] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te voldoen een bedrag van ƒ 11.500,--, vermeerderd met de wettelijke rente daarover te rekenen vanaf de dag der dagvaarding tot die der algehele voldoening, althans [verweerder 1] te veroordelen aan [eiser] te voldoen een bedrag als de kantonrechter in goede justitie zal vermenen te behoren. In de zaak tegen [verweerster 2] heeft [eiser] voorts gevorderd: 4. [verweerster 2] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te voldoen een bedrag van ƒ 10.180,--, vermeerderd met de wettelijke rente daarover te rekenen vanaf de dag der dagvaarding tot die der algehele voldoening, althans [verweerster 2] te veroordelen aan [eiser] te voldoen een bedrag als de kantonrechter in goede justitie zal vermenen te behoren, alsmede 5. [verweerster 2] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te voldoen een bedrag van ƒ 367,74, vermeerderd met de wettelijke rente daarover te rekenen vanaf de dag dezer dagvaarding tot die der algehele voldoening, althans [verweerster 2] te veroordelen aan [eiser] te voldoen een bedrag als de kantonrechter in goede justitie zal vermenen te behoren. [Verweerders] hebben in conventie de vorderingen bestreden en hunnerzijds in reconventie gevorderd: - te verklaren voor recht dat de huurovereenkomst voor de opslagruimte op zolder per 1 januari 1997 geëindigd is, subsidiair per 1 december 1997, en - te bepalen dat de ruimte door [eiser] leeg en ontruimd opgeleverd zal worden, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van ƒ 100,-- voor iedere dag dat [eiser] weigerachtig blijft om aan het gevorderde te voldoen. [Verweerder 1] heeft tevens gevorderd: - te bepalen dat [eiser] een vergoeding dient te betalen voor het gebruik van de ruimte van ƒ 135,-- per maand vanaf 1 januari 1997 tot de dag waarop de woning verlaten zal zijn, te vermeerderen met een vergoeding van ƒ 50,-- per maand vanaf 1 juli 1997 voor het gebruik van elektra, een en ander te verhogen met de wettelijke rente vanaf 1 maart 1997, alsmede [eiser] te veroordelen in de kosten van de procedure, waaronder de kosten van het verzoek tot voorlopige voorziening. [Verweerster 2] heeft tevens gevorderd: - te bepalen dat [eiser] een vergoeding dient te betalen voor het gebruik van de ruimte van ƒ 300,-- per maand vanaf 1 maart 1997 tot de dag waarop de woning verlaten zal zijn, te vermeerderen met een vergoeding van ƒ 100,-- per maand voor het extra gebruik van gas en elektra, een en ander te verhogen met de wettelijke rente vanaf 1 maart 1997, alsmede [eiser] te veroordelen in de kosten van de procedure, waaronder de kosten van het verzoek tot voorlopige voorziening. [Eiser] heeft in reconventie de vorderingen bestreden. De kantonrechter heeft bij (grotendeels identieke) tussenvonnissen van 2 februari 1999 [eiser] opgedragen te bewijzen dat de huurovereenkomst die hij heeft met [verweerder 1], respectievelijk [verweerster 2], is aangegaan met het oogmerk van huur en verhuur van woonruimte. Na enquête heeft de kantonrechter bij (grotendeels identieke) eindvonnissen van 25 februari 2000 voor recht verklaard dat [eiser] van [verweerder 1], respectievelijk van [verweerster 2], onzelfstandige woonruimte huurt, [verweerders] veroordeeld aan [eiser] ƒ 3.010,48, respectievelijk ƒ 1.757,67 te betalen, telkens te verhogen met de wettelijke rente vanaf 3 oktober 1997 tot de dag der betaling, deze vonnissen uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en het meer of anders in conventie gevorderde, alsmede de vorderingen in reconventie afgewezen. Tegen beide vonnissen van 25 februari 2000 hebben [verweerders] zowel in conventie als in reconventie bij afzonderlijke exploten van 24 resp. 23 mei 2000 hoger beroep ingesteld bij de rechtbank te Amsterdam. [Eiser] heeft in beide zaken incidenteel hoger beroep ingesteld. De rechtbank heeft beide zaken gevoegd behandeld. Bij vonnis van 17 april 2002 heeft de rechtbank in beide zaken de eindvonnissen van de kantonrechter vernietigd en, opnieuw rechtdoende: in conventie: - [verweerders] hoofdelijk veroordeeld binnen een maand na betekening van dit vonnis tot teruggave aan [eiser] van de goederen afkomstig uit de ten processe vermelde zolderruimtes, op verbeurte van een dwangsom van € 45,-- voor iedere dag dat zij in gebreke blijven daaraan te voldoen, met een maximum van € 4.500,--; - dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard; in reconventie: - [eiser] veroordeeld binnen drie maanden na betekening van dit vonnis de zolderruimtes te ontruimen, op verbeurte van een dwangsom van € 90,-- voor iedere dag dat [eiser] in gebreke blijft daaraan te voldoen, met een maximum van € 10.000,--; - [eiser] veroordeeld aan [verweerder 1] € 61,26 en aan [verweerster 2] € 136,13 per maand te betalen vanaf 1 oktober 1997 tot de dag waarop hij de zolderruimtes zal hebben ontruimd, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 1997 tot de dag der voldoening; - dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard; in conventie en in reconventie: - de kosten van het geding aldus gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draagt, en - het meer of anders gevorderde afgewezen. Het vonnis van de rechtbank is aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen het vonnis van de rechtbank heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. [Verweerders] hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [verweerders] mede door mr. B.A. Cnossen, advocaat bij de Hoge Raad. De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt in de zaak tegen [verweerder 1] tot verwerping van het beroep en in de zaak tegen [verweerster 2] tot vernietiging van het bestreden vonnis, voor zover gewezen in conventie, en tot verwijzing van de zaak naar het hof van het ressort. 3. Beoordeling van de middelen 3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.