12 maart 2004 Eerste Kamer Nr. C02/224HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: de rechtspersoon naar Frans recht PTC S.A., gevestigd te Pantin, Frankrijk, EISERES tot cassatie, voorwaardelijk incidenteel verweerster, advocaat: mr. W. Taekema, t e g e n
(7)(...)". Het hof heeft in rov. 14 geoordeeld dat de woorden "distinct de" in de conclusie, mede gezien het door het hof daarvoor overwogene ("mede gezien het vorenstaande"), aangeven, dat de pignonnerie (tandwielstelsel) P1 niet deel uitmaakt van de transmissie-inrichting, die de faseverschuiver omvat, aangezien naar zijn oordeel niet gezegd kan worden, dat "verschillend van" of "zich onderscheidend van" mede kan betekenen "deel uitmakend van", zoals PTC heeft betoogd. Het hof heeft geoordeeld dat gezien de betekenis van de woorden "distinct de" in conclusie 1 van het octrooi van PTC, de trilinrichting van Dieseko c.s. niet letterlijk voldoet aan de omschrijving van conclusie 1, zelfs al zou worden aangenomen, dat de faseverschuiver van die trilinrichting voldoet aan de omschrijving in het tweede deel van conclusie 1, hetgeen PTC heeft gesteld doch Dieseko c.s. in hoger beroep betwisten (rov. 18). 3.5.2 Het hof heeft met zijn verwijzing in rov. 14 "mede gezien het vorenstaande" klaarblijkelijk het oog op de rechtsoverwegingen 9 tot en met 13. De eerste klacht van onderdeel II, dat onvoldoende begrijpelijk is waarnaar het hof verwijst, faalt derhalve. Voorzover de klacht tevens inhoudt dat onvoldoende duidelijk is waarom dat "vorenstaande" de uitleg van de woorden "distinct de" ondersteunt, voldoet de klacht niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv., omdat zij niet aangeeft waarom dat onvoldoende duidelijk is. 3.5.3 De tweede klacht van onderdeel II gaat uit van de veronderstelling dat met "het vorenstaande" bedoeld wordt hetgeen het hof in rov. 13 overweegt en kan, gelet op hetgeen in 3.5.2 is overwogen, bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Daarbij zij aangetekend dat de uitleg die het hof van de woorden "distinct de" in rov. 13 geeft, feitelijk is en niet onbegrijpelijk. 3.5.4 Onderdeel II klaagt ten derde dat het hof een (overigens onbegrijpelijke) grammaticale uitleg aan de woorden "distinct de" in de conclusie geeft doch een uitleg had behoren te geven in het licht van de beschrijving en de tekeningen en, voorzover daarna nog onduidelijkheid bestond, het verleningsdossier. Gelet op rov. 14 waaruit blijkt dat het hof de door het onderdeel bepleite wijze van uitleg heeft gevolgd, kan ook deze klacht wegens gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Hierbij verdient aantekening dat, gelet op rov. 20, het hof van oordeel was dat geen onduidelijkheid over de uitleg van de conclusie bestond, derhalve ook niet met betrekking tot de woorden "distinct de". 3.5.5 De vierde klacht van onderdeel II houdt in dat de uitleg door het hof van de woorden "distinct de" onbegrijpelijk is nu (het een feit van algemene bekendheid is dat) "verschillend van" of "zich onderscheidend van" wel degelijk mede kan betekenen "deel uitmakend van". De klacht berust op een verkeerde lezing van de desbetreffende rechtsoverweging en mist derhalve eveneens feitelijke grondslag. Het hof heeft met de door hem gegeven uitleg van de woorden "distinct de" een op het onderhavige geval toegespitst oordeel gegeven en niet - zoals de klacht aanvoert - in algemene termen geoordeeld. Het hof heeft als zingevende uitleg van de woorden "distinct de" een uitleg gegeven, die inhoudt dat het tandwielstelsel P1 geen deel uitmaakt van de transmissie-inrichting, waarvan de faseverschuiver onderdeel uitmaakt. 3.5.6 De vijfde klacht van onderdeel II is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 14 dat de door hem gegeven uitleg van de woorden "distinct de" wordt ondersteund door de beschrijving van de tekeningen van het octrooi en dat de door PTC bepleite uitleg van deze woorden daarin geen steun vindt. De klacht luidt in de eerste plaats dat de verwijzing naar de in het octrooi gegeven uitvoeringsvoorbeelden tekortschiet, nu het om voorbeelden gaat en derhalve ook andere, het standpunt van PTC ondersteunende, uitvoeringsvoorbeelden mogelijk zijn. Het hof heeft echter de uitvoeringsvoorbeelden alleen als zijn uitleg ondersteunende argumenten gebruikt. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en behoeft geen nadere motivering. Voorzover de klacht gericht is tegen de laatste volzin van rov. 14, behoeft zij geen behandeling nu deze zin een ten overvloede gegeven overweging bevat. Voorzover de klacht ervan uitgaat dat de in dit onderdeel aangevallen overwegingen de enige overwegingen zijn die het hof bij zijn uitleg van de woorden "distinct de" aan de beschrijving van conclusie 1 wijdt, faalt zij om de in 3.5.2 gegeven reden. De klacht ten slotte dat in de uitleg van het hof geen trilinrichting kan bestaan die wel onder conclusie 1 valt doch niet onder de conclusie(
- s)2 en/of 3, voldoet, nu enige toelichting ontbreekt, niet aan de eisen die ingevolge art. 407 lid 2 Rv. aan een cassatiemiddel moeten worden gesteld. 3.5.7 De zesde klacht van onderdeel II houdt in dat het oordeel in rov. 14 dat de plaats van de faseverschuiver volgens het octrooi ook dezelfde kan zijn als die in het Amerikaanse octrooischrift (zie hiervoor 3.4.1), onbegrijpelijk is, nu deze uitleg enerzijds meebrengt dat de Dieseko trilinrichting geen letterlijke inbreuk maakt, omdat er bij Dieseko geen sprake is van een "distinct de" in de zin waarin het hof deze woorden uitlegt, terwijl anderzijds ten processe vaststaat dat de trilinrichting van Dieseko wat betreft het eerste deel van de conclusie (het deel waarin "distinct de" voorkomt) gelijk is aan de inrichting van het Amerikaanse octrooischrift 3.564.932. De klacht faalt nu zij miskent dat in de redenering van het hof niet de plaats van de faseverschuiver ten opzichte van de motoren en gewichten (zoals bij de trilinrichting van Dieseko en het Amerikaanse octrooi) relevant is, maar de (indirecte) koppeling van de faseverschuiver in de zin dat deze deel uitmaakt van een afzonderlijke transmissie-inrichting die niet rechtstreeks is gekoppeld aan de tandwielen die de gewichten aandrijven. 3.5.8 In rov. 15 heeft het hof geoordeeld dat de uitleg die volgens hem aan de woorden "distinct de" gegeven wordt, ook steun vindt in de eerste conclusie van de oorspronkelijke octrooiaanvrage (EP 0.524.056 A1) van PTC. De zevende klacht van onderdeel II acht dit oordeel zonder verdere uitleg onbegrijpelijk. De klacht faalt nu dit oordeel feitelijk is en niet onbegrijpelijk. Het oordeel behoeft geen nadere motivering. 3.5.9 In rov. 17 heeft het hof geoordeeld dat bij zijn uitleg van de woorden "distinct de" geen sprake is van een weginterpreteren van deelkenmerken, noch van een ongeoorloofde uitbreiding van de beschermingsomvang. De achtste klacht van onderdeel II houdt in dat dit oordeel niet voldoende begrijpelijk is gemotiveerd, nu PTC uitdrukkelijk heeft verdedigd dat ook bij de door haar voorgestane uitleg geen sprake was van het weginterpreteren van een deelkenmerk of van een uitbreiding van de beschermingsomvang. Met dit oordeel heeft het hof echter niet gerespondeerd op de desbetreffende stellingen van PTC doch slechts tot uitdrukking gebracht dat in zijn in rov. 14 neergelegde uitleg van een weginterpreteren van deelkenmerken of van een ongeoorloofde uitbreiding van de beschermingsomvang geen sprake is. Hierop stuit de achtste klacht van onderdeel II af. 3.5.10 In rov. 17 heeft het hof nog in aanmerking genomen dat het, mede gezien de (dichte) stand van de techniek, hier geen pioniersuitvinding betreft. In rov. 3.3.1 van zijn arrest van 13 januari 1995 (Ciba-Geigy/Oté) heeft de Hoge Raad overwogen dat de rechter bij zijn beoordeling van de beschermingsomvang van een octrooi tegen de achtergrond van de gezichtspunten van enerzijds een redelijke bescherming van de octrooihouder en anderzijds een redelijke rechtszekerheid voor derden rekening dient te houden "met de aard van het concrete geval, waaronder ook de mate waarin de geoctrooieerde uitvinding vernieuwing heeft gebracht". Het hof heeft dit laatste tot uitdrukking gebracht door te oordelen dat het hier geen pioniersuitvinding betreft en heeft daarmee derhalve geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Voor het overige is dit een feitelijk oordeel, dat niet onbegrijpelijk is. De hiertegen gerichte negende klacht van onderdeel II faalt evenzo. 3.6 In rov. 19 heeft het hof geoordeeld dat bij de trilinrichting van Dieseko c.s. geen sprake is van equivalentie. Het hof heeft voor dit oordeel drie redenen gegeven, die het oordeel elk zelfstandig kunnen dragen. De derde door het hof gegeven reden is dat PTC bij pleidooi heeft toegegeven, dat Dieseko c.s. de stand der techniek volgt, voorzover het betreft het eerste deel van conclusie 1. De stand van de techniek kan, aldus het hof, niet een equivalent van de geoctrooieerde uitvinding zijn. Onderdeel IIIC is gericht tegen de derde reden en klaagt in de eerste plaats dat dit oordeel onbegrijpelijk is, omdat een deel van de conclusie (in dit geval het eerste deel van de conclusie) niet gelijkgesteld kan worden met de geoctrooieerde uitvinding, temeer nu volgens PTC de uitvinding in het tweede gedeelte van de conclusie, te weten: in de constructie van de nieuwe faseverschuiver, is gelegen. Zoals echter uit 3.4.2 volgt, heeft het hof geoordeeld dat de uitvinding is gelegen in de plaats van de faseverschuiver. Dit oordeel is feitelijk, niet onbegrijpelijk en niet onvoldoende gemotiveerd. Daarop stuit deze klacht af. Het onderdeel klaagt voorts dat het hof heeft miskend dat ook het navolgen van een combinatie van deelkenmerken waarvan één of enkele reeds bekend zijn, een (equivalente) inbreuk kan opleveren. Voorzover de klacht ervan uitgaat dat het hof heeft geoordeeld dat Dieseko c.s. ter zake van het eerste deelkenmerk de stand der techniek volgen, berust zij op een onjuiste lezing: het hof heeft geoordeeld dat Dieseko c.s. de stand der techniek volgen voorzover het betreft de in het eerste deel van conclusie 1 verwerkte figuur 8 van het Amerikaanse octrooi en dus niet wat betreft het eerste deelkenmerk. Het hof heeft juist vanwege het ontbreken van dit voor de probleemoplossing (ook van de nadelen van het Amerikaanse octrooi) relevante eerste deelkenmerk in de trilinrichting van Dieseko c.s. geoordeeld dat het beroep op (letterlijke
- of)equivalente inbreuk moest worden afgewezen. Dit oordeel is feitelijk en niet onbegrijpelijk. Onderdeel IIIC faalt derhalve in zijn geheel. De klachten van de onderdelen IIIA en IIIB behoeven, nu onderdeel IIIC faalt, geen behandeling. 3.7 Onderdeel IV klaagt over de afwijzing door het hof van het beroep op inbreuk op conclusie 3, nu iedere (gemotiveerde) beslissing omtrent de door PTC gestelde inbreuk op conclusie 3 ontbreekt en het hof daardoor onvoldoende begrijpelijk heeft geoordeeld. Het hof heeft de gestelde (letterlijke of equivalente) inbreuk afgewezen op de grond dat de inrichting van Dieseko c.s. niet aan het eerste deelkenmerk van de hoofdconclusie (conclusie 1) voldeed en heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat evenmin sprake was van inbreuk op conclusie 3, die immers eveneens uitgaat van een trilinrichting overeenkomstig conclusie 1, zodat die conclusie hetzelfde deelkenmerk bevat. De klacht faalt derhalve. 3.8 In rov. 20 heeft het hof geoordeeld, samengevat, dat "geen gebruik behoeft te worden gemaakt van mogelijkerwijze verhelderende gegevens uit het openbare deel van het verleningsdossier". Onderdeel V dat tegen deze rechtsoverweging is gericht, behoeft geen behandeling voorzover het voortbouwt op de onderdelen II en III. Voorzover het onderdeel klaagt dat het oordeel onjuist en onbegrijpelijk is omdat het hof zelf wel in rov. 15 ten nadele van PTC het verleningsdossier bij de uitleg van het octrooi gebruikt, miskent het dat het hof in rov. 14, "mede gezien het vorenstaande", tot een oordeel over de uitleg van het eerste deelkenmerk was gekomen en in rov. 15 slechts - ten overvloede - heeft overwogen dat deze uitleg nog wordt bevestigd in de - door PTC zelf overgelegde - oorspronkelijke octrooiaanvraag. Reeds daarom faalt het onderdeel. 3.9 Nu het principale middel niet tot cassatie leidt, behoeft het voorwaardelijk incidentele middel geen behandeling. 4. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het principale beroep; veroordeelt PTC in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Dieseko c.s. begroot op € 4.607,27 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris. Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, A.M.J. van Buchem-Spapens, P.C. Kop en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 12 maart 2004.