23 april 2004 Eerste Kamer Nr. C03/053HR RM/IS Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens, t e g e n de stichting STICHTING FONDS VRIJWILLIG VERVROEGD UITTREDEN OVERHEIDSPERSONEEL, gevestigd te Heerlen, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. R.S. Meijer. 1. Het geding in feitelijke instanties Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploot van 9 juni 2000 verweerster in cassatie - verder te noemen: het Vut-fonds - gedagvaard voor de kantonrechter te Heerlen en - kort gezegd - gevorderd voor recht te verklaren dat [eiser] over de periode van 14 april 1998 tot 1 oktober 1999 recht heeft op zijn volledige vut-uitkering, zonder korting daarop van zijn inkomsten als wethouder voorzover deze samen met de vut-uitkering de grondslag van 100% van de vroegere bezoldiging van [eiser] over overschrijden. [Eiser] heeft voorts een aantal nevenvorderingen ingesteld. Het Vut-fonds heeft de vordering bestreden. De kantonrechter heeft bij vonnis van 2 mei 2001 de vorderingen van [eiser] grotendeels toegewezen. Tegen dit vonnis heeft het Vut-fonds hoger beroep ingesteld bij de rechtbank te Maastricht. Bij vonnis van 7 november 2002 heeft de rechtbank het bestreden vonnis vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vordering afgewezen. Het vonnis van de rechtbank is aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen het vonnis van de rechtbank heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Het Vut-fonds heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor het Vut-fonds mede door mr. J.H.M. van Swaaij, advocaat bij de Hoge Raad. De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot verwerping. 3. Beoordeling van het middel 3.1 Deze zaak betreft de anticumulatieregeling die is opgenomen in art. 8 van het tussen [eiser] en het Vut-fonds van toepassing zijnde Reglement vrijwillig vervroegd uittreden, welk reglement een vut-overeenkomst is in de zin van art. 1 lid 1, onder e, Wet kaderregeling vut overheidspersoneel, Stb. 1995, 640. Die, vrijwel woordelijk uit artikel 7 lid 1 onderscheidenlijk lid 7 van de met ingang van 1 januari 1996 ingetrokken Wet uitkering wegens vrijwillig vervroegd uittreden overgenomen, regeling luidt, voor zover in cassatie van belang, als volgt: "art. 8 - 1. Indien de belanghebbende inkomsten geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf worden die inkomsten in mindering gebracht op de uitkering over de maand, waarop deze inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben. (...) art. 8 - 7. In bijzondere gevallen of groepen van gevallen waarin de toepassing van dit artikel tot een naar het oordeel van het bestuur onredelijke uitkomst leidt, is het bestuur bevoegd ten gunste van de belanghebbende een beslissing te nemen die met de strekking van dit artikel overeenkomt." Het Vut-fonds heeft de bezoldiging die [eiser] in de periode van 14 april 1998 tot 1 oktober 1999 heeft ontvangen als wethouder van de gemeente Warmond geheel of gedeeltelijk op zijn vut-uitkering in mindering gebracht. 3.2 De kantonrechter heeft, overeenkomstig het standpunt van [eiser], geoordeeld dat het vervullen van de functie van wethouder niet kan worden aangemerkt als "arbeid" in de zin van art. 8 van voormeld, hierna als het Vut-reglement aan te duiden, reglement en dat om die reden de bezoldiging als wethouder niet valt onder het begrip "inkomsten uit of in verband met arbeid" in de zin van dat artikel. Hij heeft op die grond de onder 1 vermelde vorderingen van [eiser] grotendeels toegewezen. In hoger beroep heeft de rechtbank echter geoordeeld
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.