20 april 2004 Strafkamer nr. 01332/03 EW/SM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 22 januari 2003, nummer 22/003754-02, in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Bondsrepubliek Duitsland) op [geboortedatum] 1959, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen een bij verstek gewezen vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Dordrecht van 25 februari 2002, waarbij de verdachte ter zake van "verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft" is veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair negentig dagen hechtenis met toewijzing van de civiele vordering van de benadeelde partij zoals in het vonnis vermeld. Voorts heeft de Rechtbank een schadevergoedingsmaatregel opgelegd zoals in het vonnis vermeld. 2. Geding in cassatie 2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M. Bongaarts-Tangelder, advocaat te Aalten, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 2.2. De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de raadsvrouwe op de conclusie van de Advocaat-Generaal. 3. Beoordeling van het middel 3.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep. 3.2. Het Hof heeft de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn hoger beroep doen steunen op onder meer de volgende gronden: "Vast is komen te staan dat de verdachte, naar uit de stukken blijkt, telefonisch om aanhouding heeft verzocht van de zitting van 21 november 2001 en dat de politierechter op die datum de zaak heeft aangehouden tot de zitting van 25 februari 2002. De eerste rechter heeft vervolgens naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 februari 2002 vonnis gewezen. Gelet op het bepaalde in artikel 408, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering had de verdachte derhalve binnen veertien dagen na het op 25 februari 2002 gewezen vonnis in hoger beroep moeten komen. De verdachte heeft echter eerst op 30 juli 2002 hoger beroep ingesteld, zodat hij daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard." 3.3. Het Hof heeft vastgesteld (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.