11 mei 2004 Strafkamer nr. 00458/03 EW/SM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 9 april 2002, nummer 20/000347-00, in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960, wonende te [woonplaats] (Indonesië). 1. De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Breda van 28 december 1999 - de verdachte ter zake van 1. "deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven" en 2. en 3. telkens opleverende: "valsheid in geschrift" veroordeeld tot 22 maanden gevangenisstraf. 2. Geding in cassatie 2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.G.G. Wilgers, advocaat te Yerseke, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen. 2.2. De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal. 3. Beoordeling van het eerste middel 3.1. Het middel behelst in de eerste plaats de klacht dat het Hof "geen aanleiding heeft gezien" een aantal door de verdediging aan het Openbaar Ministerie opgegeven getuigen - die het Openbaar Miniserie had geweigerd op te roepen - alsnog te horen. De tweede klacht luidt dat het Hof "heeft goedgevonden dat de dagvaarding - anders dan het tweede lid van art. 588 Sv voorschrijft - is verzonden naar een adres waarvan twijfelachtig is of rekwirant van cassatie daar woonachtig zou zijn". Ter toelichting op die klacht wordt onder meer aangevoerd dat de raadsman een aantal getuigen juist had willen horen omtrent de woonplaats van de verdachte. 3.2. De eerste klacht van het middel miskent dat de rechter slechts indien daartoe door de verdediging een uitdrukkelijk verzoek is gedaan, gehouden is onder ogen te zien of door het openbaar ministerie geweigerde getuigen alsnog moeten worden opgeroepen of dat daarvan kan worden afgezien. Een dergelijk verzoek is hier niet aan de orde, nu de raadsman niet op de voet van art. 279 Sv was gemachtigd om de verdediging te voeren en dus tot het doen van een zodanig verzoek niet bevoegd was. 3.3. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 26 maart 2002 houdt, voorzover voor de beoordeling van de tweede klacht van belang, het volgende in: "De raadsman van verdachte deelt mede niet te weten waarom zijn cliënt niet is verschenen. De voorzitter deelt mede dat de dagvaarding van verdachte in hoger beroep is uitgereikt ter griffie van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch aan de (waarnemend)griffier van die rechtbank, omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is. Vervolgens is de dagvaarding als gewone brief verzonden aan het op de dagvaarding vermelde adres van de geadresseerde in het buitenland. De raadsman van verdachte deelt mede dat hij door zijn cliënt niet bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het voeren van de verdediging. Hij is bekend met de jurisprudentie met betrekking tot het al dan niet voeren van de verdediging door de raadsman in zulke gevallen. Hij vraagt zich af of zo'n beperking van de rechten van de raadsman is te verenigen met de bepalingen van artikel 6 van het Verdrag van Rome, temeer nu in de onderhavige zaak het huidige adres van zijn cliënt bekend had kunnen zijn. Hij wijst daarbij op het feit dat de verbalisanten Marijnissen en Hoogendoorn in het huis van cliënt zijn geweest; het adres is dus bekend. Het adres vermeld in de akte van uitreiking van de dagvaarding in hoger beroep voor de zitting van heden is niet correct. Hij woont niet op een huisadres met nummer I, 1 of 16. Deze dagvaarding dient te worden gezonden naar het huisadres met het nummer I/16. In het verleden, voor 1 januari 1996, woonde hij elders, daarna is hij verhuisd naar voormeld huis waar hij nog steeds woont. De betreffende verbalisanten Marijnissen en Hoogendoorn zijn op dit laatste adres geweest. Er is ook geen bevestiging geweest dat de dagvaarding is doorgezonden door de Indonesische autoriteiten naar het in de akte van uitreiking vermelde adres; mitsdien is er ook geen bevestiging dat dit adres klopt. Zo verwijs ik naar een brief van het hoofd Bureau Internationale Rechtshulp in strafzaken d.d. 16 september 1999 terzake van de in eerste aanleg betekende oproeping voor de zitting van 30 september 1999. Ook hieruit volgt niet dat de oproeping is uitgereikt op het juiste adres van cliënt. De voorzitter deelt mede de korte inhoud van een brief van het hoofd Bureau Interpol, Patrick Dijk, d.d. 5 maart 2002. De advocaat-generaal deelt daarop mede dat de raadsman van verdachte niet heeft gereageerd op zijn brieven omtrent gegevens met betrekking tot het adres van verdachte. De advocaat-generaal voert vervolgens het woord overeenkomstig een op schrift gesteld standpunt, welk standpunt hij aan het hof overlegt en welk standpunt als hier ingelast dient te worden beschouwd. De raadsman deelt nog mede dat Indonesië het niet goed vindt dat een dagvaarding daar wordt uitgereikt. Indonesië wil cliënt daar vervolgen voor hetzelfde feitencomplex. Het hof onderbreekt daarop het onderzoek voor beraad. Het hof hervat vervolgens het onderzoek in de stand waarin het zich bevond. De voorzitter deelt mede dat het hof van oordeel is dat de dagvaarding van verdachte op een juiste wijze is betekend. Op vordering van de advocaat-generaal verleent het gerechtshof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt, dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan." 3.4. Ter ondersteuning van de tweede klacht wordt blijkens de toelichting op het middel in cassatie herhaald de ter terechtzitting van het Hof door de raadsman van de verdachte betrokken stelling die erop neerkomt dat ten tijde van de uitreiking van de appèldagvaarding het adres van verzoeker aan het Openbaar Ministerie bekend was en dat dit niet het adres was waaraan het Openbaar Ministerie de appèldagvaarding als gewone brief heeft verstuurd. 3.5.1. Omtrent de dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep van 26 maart 2002 houden de stukken van het geding in dat deze op 21 december 2001 is betekend aan de griffier van de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is en dat de dagvaarding op die dag als gewone brief is verzonden aan het adres [a-straat] 1, [woonplaats] (Indonesië). 3.5.2. Met betrekking tot het adres van verdachte houden de stukken van het geding in: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.