14 mei 2004 Eerste Kamer Nr. C03/041HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: 1. [Eiseres 1], 2. [Eiser 2], 3. [Eiser 3], gevestigd, resp. wonende te [plaats], EISERS tot cassatie, advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens, t e g e n [Verweerster], gevestigd te [vestigingsplaats], VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. E. Grabandt. 1. Het geding in feitelijke instanties Verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - heeft bij drie exploten van 27 januari 1998 eisers tot cassatie - verder te noemen: [eiser] c.s. - gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [eiser] c.s. hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting tot betaling van: A. de somma ad ƒ 14.999,59, zijnde de door [eiser] c.s. aan [verweerster] verschuldigde betaling van de facturen met de nummers 298, 360, 440, 481, 496, 920, 979, 1071, 1104 en 1150; B. de wettelijke rente over de in punt A. vermelde hoofdsom, primair te rekenen vanaf het moment dat [eiser] c.s. met de betaling in verzuim zijn tot aan de dag der algehele voldoening, subsidiair te rekenen vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; C. de somma ad ƒ 1.784,96 zijnde de kosten van buitengerechtelijke incasso, berekend volgens het degressieve incassotarief van de Nederlandse Orde van Advocaten; D. de wettelijk rente over de in punt C. vermelde buitengerechtelijke incassokosten, te rekenen vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; E. de kosten vallende op deze procedure; F. de wettelijke rente over de in punt E. vermelde proceskosten, te rekenen vanaf 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis. [Eiser] c.s. hebben de vorderingen bestreden en - na vermeerdering van eis - in reconventie gevorderd voor recht te verklaren dat [verweerster] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst tussen partijen en derhalve aansprakelijk is voor de schade die [eiser] c.s. hierdoor hebben geleden en [verweerster] te veroordelen tot betaling aan [eiser] c.s. van ƒ 1.255.872,05 exclusief PM-kosten voorwaardelijk, en voor het geval de rechtbank hun beroep op verrekening niet mocht honoreren het restant bedrag van ƒ 1.240.872,40 onvoorwaardelijk, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 april 1998, althans vanaf 21 september 1999 tot aan de dag der algehele voldoening. [Verweerster] heeft de vorderingen in reconventie bestreden. De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 12 mei 1998 een comparitie van partijen gelast. Bij eindvonnis van 12 juli 2000 heeft de rechtbank in conventie [eiser] c.s. hoofdelijk veroordeeld aan [verweerster] te betalen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.