22 juni 2004 Strafkamer nr. 00140/04 B SM Hoge Raad der Nederlanden Beschikking op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te Amsterdam van 16 december 2003, nummer RK: 03/1554, naar aanleiding van een vordering van de Officier van Justitie in het Arrondissement Amsterdam, tot het verlenen van verlof als bedoeld in art. 552p, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, in de zaak van: [verdachte], statutair gevestigd te [plaats A] en tevens gevestigd te [plaats B]. 1. De bestreden beschikking De Rechtbank heeft de vordering van de Officier van Justitie met betrekking tot de inbeslaggenomen stukken van overtuiging afgewezen. 2. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de Officier van Justitie. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de bestreden beschikking zal worden vernietigd en dat de Hoge Raad op de daartoe strekkende vordering het in art. 552p, tweede lid, Sv bedoelde verlof zal verlenen de door de Rechter-Commissaris inbeslaggenomen stukken van overtuiging ter beschikking van de Officier van Justitie te stellen. 3. Beoordeling van het middel 3.1. Het middel komt op tegen het oordeel van de Rechtbank dat de vordering van de Officier van Justitie om op grond van art. 552p, tweede lid, Sv de inbeslaggenomen stukken van overtuiging aan hem ter beschikking te stellen ter overdracht aan de Russische autoriteiten moet worden afgewezen, omdat niet is voldaan aan het vereiste dat het rechtshulpverzoek moet zijn gebaseerd op een verdrag. 3.2. De bestreden beschikking betreft de vordering van de Officier van Justitie op de voet van art. 552p, tweede lid, Sv met betrekking tot "een verzoek om rechtshulp afkomstig van de justitiële autoriteiten van de Russische Federatie d.d. 18 oktober 1999 en de bevestiging van dit verzoek na ratificatie door de Russische Federatie van het Europees Rechtshulpverdrag op 9 maart 2000 in de zaak tegen: [verdachte]." Bij de behandeling in openbare raadkamer is tevens verschenen de raadsman van de belanghebbende [C] B.V., blijkens de stukken gevestigd te [plaats D]. 3.3. De Rechtbank heeft ten aanzien van de vordering tot verlof als volgt overwogen: "Het voormelde verzoek is gedaan in verband met een strafrechtelijk onderzoek tegen bovengenoemde rechtspersonen ter zake van de verdenking dat zij zich hebben schuldig gemaakt aan de feiten in het rechtshulpverzoek omschreven. Namens [C] B.V. is primair aangevoerd dat de vordering dient te worden afgewezen, nu het rechtshulpverzoek, gedateerd 18 oktober 1999, niet is gebaseerd op enig verdrag. Dit verweer wordt terecht gevoerd. Weliswaar is de Russische Federatie op 9 maart 2000 tot het Europees Verdrag tot Wederzijdse Rechtshulp in strafzaken (EVWR) toegetreden en heeft zij het verzoek te eniger tijd bevestigd, doch daarmee is niet voldaan aan het in artikel 552o van het Wetboek van Strafvordering gestelde vereiste dat rechtshulp in strafzaken slechts plaatsvindt op basis van een verdrag. De doorzoekingen hadden bij gebreke van een op een verdrag gebaseerd verzoek niet mogen plaatsvinden en de vordering kan noch tegen [verdachte], noch tegen [C] worden toegewezen." 3.4. Op grond van de stukken moet in cassatie - voorzover voor de beoordeling van het middel van belang - van de volgende procesgang worden uitgegaan: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.