← Nederland

ECLI:NL:HR:2004:AP1437

5 november 2004 Eerste Kamer Nr. C03/187HR RM/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens, t e g e n Mr. Leonard Joseph Marie LUCHTMAN, in zijn hoedanigheid van bewindvoerder in de schuldsanering van [betrokkene 1], wonende te Breda, VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. J.A.M.A. Sluysmans.

  1. Het geding in feitelijke instanties Verweerder in cassatie - verder te noemen: de curator - heeft bij exploot van 24 augustus 1999 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - gedagvaard voor de rechtbank te Arnhem en gevorderd: - te verklaren voor recht dat de curator met recht op 18 maart 1999 de tussen [eiser] en [betrokkene 1] gemaakte afspraak heeft vernietigd, althans deze rechtshandeling alsnog te vernietigen, omdat zij strijdig is met en op grond van art. 42 F., althans art. 47 F.; - [eiser] te veroordelen tot betaling aan de curator van een bedrag van ƒ 32.618,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 maart 1999 tot aan de dag der algehele voldoening, te vermeerderen met de buitengerechtelijke kosten. [Eiser] heeft de vordering bestreden. Na een ingevolge een tussenvonnis van 25 november 1999 op 2 maart 2000 gehouden comparitie van partijen heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 12 oktober 2000 [eiser] tot bewijslevering toegelaten. Na getuigenverhoor en verder processueel debat heeft de rechtbank bij eindvonnis van 23 augustus 2001 [eiser] veroordeeld aan de curator te betalen een bedrag van ƒ 32.618,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 1999 tot aan de dag der algehele voldoening. Het meer of anders gevorderde heeft de rechtbank afgewezen. Tegen de vonnissen van 12 oktober 2000 en 23 augustus 2001 heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem. Na een tussenarrest van 15 oktober 2002, waarbij partijen in de gelegenheid zijn gesteld zich bij akte uit te laten over de vraag wat de omvang is van de waardevermindering vanaf medio 1998 tot op heden van de bedrijfsmiddelen die zich nog bij [eiser] bevinden, heeft het hof bij eindarrest van 29 april 2003 de bestreden vonnissen van de rechtbank bekrachtigd, behoudens op een punt dat thans niet meer aan de orde is. Beide arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
  2. Het geding in cassatie Tegen beide arresten van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De curator heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.
  3. Beoordeling van de middelen De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
  4. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de curator begroot op € 356,34 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris. Dit arrest is gewezen door de raadsheren H.A.M. Aaftink, als voorzitter, D.H. Beukenhorst en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 5 november 2004.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.