← Nederland

ECLI:NL:HR:2004:AP4371

25 juni 2004 Eerste Kamer Nr. C03/073HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [De vrouw], wonende te [woonplaats], EISERES tot cassatie, advocaat: mr. E. Grabandt, t e g e n [De man], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand.

  1. Het geding in feitelijke instanties Eiseres tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - heeft bij exploot van 19 februari 1998 verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - op verkorte termijn gedagvaard voor de rechtbank te Amsterdam en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren: a. dat het bedrag van ƒ 72.500,-- dat de man op 1 februari 1995 uit de door hem ontvangen vergoeding ter zake van de beëindiging van het dienstverband heeft aangewend door aanschaf van een koopsompolis een besparing is, die in het kader van de afrekening ter zake van de huwelijkse voorwaarden tussen partijen gedeeld moet worden; b. dat de waardevermeerdering van de belegging van de vrouw op de beleggersrekening van ƒ 133.000,-- naar ruim ƒ 180.000,-- een vermeerdering is van het haar in eigendom toebehorend vermogen en dat zij die vermeerdering niet krachtens de huwelijkse voorwaarden met de man hoeft te delen. De man heeft de vordering bestreden en in reconventie gevorderd bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: a. de vrouw te veroordelen haar medewerking te verlenen aan de taxatie van de woning aan de [a-straat 1] te [woonplaats], door een in het petitum genoemde makelaar, bij welke taxatie de man aanwezig dient te zijn; b. de vrouw op grond van art. 4 van de huwelijkse voorwaarden van partijen te veroordelen een bedrag van ƒ 5.743,-- + ƒ 2.589,-- = ƒ 8.332,-- aan de man te voldoen; c. de vrouw te gelasten binnen een maand na het te dezen te wijzen vonnis een overzicht van haar vermogen, dat met behulp van bespaarde inkomsten gedurende het huwelijk is gevormd - waaronder de belastingteruggaaf over 1996 en 1997 - aan de man over te leggen, met de veroordeling aan de man een dusdanig bedrag uit te keren dat gelijk staat aan de helft van de waarde van dit gevormde vermogen; d. de vrouw te veroordelen om in verband met door de man voldane hypotheekrente een bedrag van ƒ 5.400,-- aan hem te vergoeden. De vrouw heeft in reconventie de vorderingen van de man bestreden. De rechtbank heeft bij vonnis van 15 juli 1998 in conventie voor recht verklaard dat de waardevermeerdering van de belegging van de vrouw op de beleggersrekening van - oorspronkelijk - ƒ 133.000,-- naar thans ƒ 180.000,-- een vermeerdering is van het haar in eigendom toebehorend vermogen en dat zij die vermeerdering niet krachtens de huwelijkse voorwaarden met de man hoeft te delen, het meer of anders gevorderde afgewezen, en in reconventie iedere verdere beslissing aangehouden. Tegen dit in conventie gewezen vonnis heeft de man hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De vrouw heeft incidenteel hoger beroep ingesteld en daarbij haar eis gewijzigd en gevorderd voormeld vonnis te bevestigen voor zover daarbij in conventie een verklaring voor recht is gegeven met betrekking tot de waardevermeerdering van de beleggersrekening en voormeld vonnis te vernietigen voor zover daarbij de door haar gevraagde verklaring voor recht met betrekking tot het door de man aan de koopsompolis bestede bedrag van ƒ 72.500,-- is afgewezen en, opnieuw rechtdoende, te verklaren voor recht dat de waarde van de door de man met het bedrag van ƒ 72.500,-- aangekochte koopsompolis door hem met haar bij helfte moet worden verrekend, alles bij arrest uitvoerbaar bij voorraad. Bij arrest van 7 november 2002 heeft het hof in het principaal appel het vonnis waarvan beroep vernietigd en, opnieuw rechtdoende, voor recht verklaard dat de vrouw de waardevermeerdering van de beleggersrekening per 14 augustus 1998, groot ƒ 114.000,--, met de man bij helfte dient te delen, in het incidenteel appel het vonnis waarvan beroep bekrachtigd, en in het principaal en incidenteel appel het meer of anders gevorderde afgewezen. Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
  2. Het geding in cassatie Tegen het arrest van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De man heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de vrouw mede door mr. J. Brandt, advocaat bij de Hoge Raad. De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot verwerping van het beroep, met de onder (gewezen) echtgenoten gebruikelijke kostencompensatie.
  3. Beoordeling van het middel De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
  4. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt. Dit arrest is gewezen door de raadsheren J.B. Fleers, als voorzitter, D.H. Beukenhorst, O. de Savornin Lohman, A.M.J. van Buchem-Spapens en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 25 juni 2004.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.