5 november 2004 Eerste Kamer Rek.nr. R03/051HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [De vrouw], wonende te [woonplaats], VERZOEKSTER tot cassatie, advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand, t e g e n [De man], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties Met een op 8 mei 2001 ter griffie van de rechtbank te 's-Gravenhage ingediend verzoekschrift heeft verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - zich gewend tot die rechtbank en verzocht haar beschikking van 30 oktober 1996 in die zin te wijzigen dat met ingang van de datum van indiening van dit verzoekschrift, althans met zodanige datum van ingang als de rechtbank juist acht, de uitkering tot levensonderhoud van verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - op nihil, althans op ten hoogste ƒ 1.000,-- per maand wordt bepaald. De vrouw heeft het verzoek bestreden en daarnaast zelfstandig verzocht voormelde beschikking van 30 oktober 1996 in die zin te wijzigen dat de bijdrage in de kosten tot verzorging en opvoeding van de twee minderjarige kinderen van partijen wordt gesteld op ƒ 800,-- per maand en per kind, althans op een zodanig bedrag als de rechtbank redelijk acht. De man heeft primair verzocht de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar zelfstandig verzoek, subsidiair haar zelfstandig verzoek bestreden. Ter terechtzitting heeft de man zijn primaire verweer tegen het verzoek van de vrouw met betrekking tot de kinderbijdrage ingetrokken. De rechtbank heeft bij beschikking van 29 januari 2002 met wijziging in zoverre van voormelde beschikking de door de man met ingang van 1 augustus 2002 te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw op € 474,65 (ƒ 1.046,--) per maand en met ingang van 1 januari 2003 op nihil bepaald. Voorts heeft de rechtbank de door de man met ingang van 1 augustus 2002 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de twee minderjarige kinderen van partijen bepaald op € 363,02 (ƒ 800,--) per maand en per kind en het meer of anders verzochte afgewezen. Tegen deze beschikking heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. De man heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Bij beschikking van 29 januari 2003 heeft het hof de bestreden beschikking, voor zover de alimentatie ten behoeve van de vrouw met ingang van 1 januari 2003 op nihil is bepaald, vernietigd en, in zoverre opnieuw beschikkende, de door de man aan de vrouw te betalen alimentatie met ingang van 1 september 2003 bepaald op nihil, de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, voor het overige bekrachtigd en het in hoger beroep meer of anders verzochte afgewezen. De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De man heeft geen verweerschrift ingediend. De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot verwerping van het beroep. De advocaat van de vrouw heeft bij brief van 23 juli 2004 op die conclusie gereageerd. 3. Beoordeling van het middel 3.1 Partijen zijn op 29 april 1993 met elkaar gehuwd. Dit huwelijk is ontbonden door inschrijving op 10 februari 1997 in de registers van de burgerlijke stand van de op 30 oktober 1996 door de rechtbank tussen partijen gegeven echtscheidingsbeschikking. De rechtbank had bij die beschikking bepaald dat de man voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen (geboren op [geboortedatum] 1994 en [geboortedatum] 1996) ƒ 250,-- per maand en per kind zal betalen en de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw bepaald op ƒ 2.380,-- per maand zodra de man de aan de echtelijke woning verbonden lasten niet langer betaalt. Aan zijn verzoek om wijziging van deze beschikking in de hiervoor onder 1 bedoelde zin, legde de man ten grondslag dat er een wijziging van omstandigheden heeft plaatsgevonden omdat de vrouw gezien haar opleiding, werkervaring en haar overige persoonlijke omstandigheden, thans, nu het jongste door de vrouw verzorgde kind van partijen op [geboortedatum] 1996 is geboren, in staat moet worden geacht om door middel van door arbeid te verwerven inkomsten geheel in haar eigen levensonderhoud te voorzien, zodat zij geen behoefte meer heeft aan een financiële bijdrage van de man. De vrouw heeft verweer gevoerd tegen de verzochte wijziging en daarbij aangevoerd dat zij ten tijde van het huwelijk samen met de man de beslissing heeft genomen om te stoppen met werken in verband met de verzorging en opvoeding van de kinderen van partijen. Zij stelde voorts dat zij thans de kinderen niet door derden wil laten opvangen en weinig mogelijkheid ziet om op korte termijn een betrekking te vinden met werktijden onder schooltijd van de kinderen. De kans om op niveau werk te vinden in de omgeving van de woonplaats van de vrouw en kinderen was volgens de vrouw bovendien niet erg groot, nu daar weinig aanbod van werk is en het merendeel van de scholen in de nabije omgeving katholiek is georiënteerd en die scholen geen protestants-christelijke leerkracht willen aannemen. De vrouw zag derhalve geen mogelijkheid om een parttime betrekking aan te gaan, waardoor zij (deels) in haar levensonderhoud kan voorzien. 3.2 De rechtbank heeft dienaangaande overwogen: "Voorop staat dat de door partijen bij het aangaan van hun huwelijk gemaakte afspraken niet steeds onverkort kunnen blijven gelden na ontbinding van het huwelijk door echtscheiding, omdat zij zich daarbij op de nieuwe omstandigheden zullen moeten instellen. Ter terechtzitting is evenwel gebleken dat de man zich voordat der partijen kinderen geboren werden op zijn minst bewust heeft neergelegd bij het hem bekende feit dat de vrouw zich volledig aan de opvoeding van de kinderen wenste te wijden. In die omstandigheid ziet de rechtbank aanleiding om wel rekening te houden met de thans bestaande wens van de vrouw om zelf de verzorging van de kinderen ter hand te blijven nemen in plaats van die zorg aan buitenschoolse opvang over te laten ten einde fulltime te kunnen werken. De rechtbank is evenwel van oordeel dat van de vrouw mag worden verwacht dat zij, voorzover de zorg voor de kinderen haar dit toestaat, door middel van arbeid op het niveau waarvoor zij zich heeft gekwalificeerd in haar eigen levensonderhoud voorziet. Zoals de vrouw desgevraagd heeft bevestigd heeft zij tussen het naar school brengen en van school halen van de minderjarigen gelegenheid voor het verrichten van arbeid en de daartoe noodzakelijke reistijd. Deze periode is gelegen van 8.20 uur tot 14.45 uur. In aanmerking genomen de niet erg centrale ligging van de woonplaats van de vrouw, waar ook de door de minderjarigen bezochte school is gelegen, is de rechtbank van oordeel dat, de noodzakelijke reistijd mede in aanmerking genomen, van de vrouw mag worden verwacht dat zij er naar zal streven tenminste vier uur per dag aan arbeid te besteden. Bij de huidige vraag naar onderwijskrachten komt het niet aannemelijk voor dat op redelijke reisafstand gelegen scholen de vrouw omwille van haar protestants-christelijke levensbeschouwing, die - zoals de vrouw stelt - met de katholieke signatuur van de meeste nabij gelegen scholen niet in overeenstemming zou zijn, reeds op die enkele grond ongenegen zouden zijn om de vrouw als leerkracht in dienst te nemen. Het tegengestelde standpunt van de vrouw heeft zij niet gestaafd met enige uitlating in afwijzende zin van die scholen, noch anderszins. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de vrouw, zodra zij, zoals zij heeft verklaard, de herintrederscursus met het oog op het herkrijgen van lesbevoegdheid medio 2002 met succes zal hebben afgerond, daadwerkelijk door middel van parttime werk als leerkracht op een basisschool inkomsten zal kunnen verwerven. Gesteld noch gebleken is dat zij met bedoeld parttime werk niet tenminste tot het bedrag van de geldende partneralimentatie bruto arbeidsinkomsten zal kunnen verwerven. Gesteld noch gebleken is dat de vrouw thans behoefte heeft aan een hogere alimentatie dan zoals is bepaald bij beschikking d.d. 30 oktober 1996. Deze behoefte zal in de toekomst afnemen, nu de vrouw medio 2002 haar herintrederscursus zal hebben afgerond. Daarna, op termijn, mag van haar verwacht worden dat zij een parttime betrekking zal vinden en derhalve geheel in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. De rechtbank acht het dan ook redelijk de behoefte van de vrouw vanaf 1 augustus 2002 vast te stellen op ƒ 1.000,-- (€ 453,78) per maand, vermeerderd met de wettelijke indexering per 1 januari 2002 ƒ 1.046,-- (€ 474,65) en deze vanaf 1 januari 2003 op nihil te bepalen. Bij deze vaststelling van de hiervoor genoemde ingangsdata heeft de rechtbank mede acht geslagen op het tussen partijen vaststaande feit dat de man de vrouw reeds bij brief van 29 augustus 1999 heeft aangekondigd per begin 2001 vermindering van alimentatie te zullen verzoeken." 3.3 In haar hiertegen gerichte grief heeft de vrouw, kort weergegeven, aangevoerd (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.