28 september 2004 Strafkamer nr. 00364/04 P LR/SM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 1 december 2003, nummer 22/003665-03, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van: [betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beslissing van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 3 oktober 2002 - het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. 2. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De plaatsvervangend Procureur-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen en de zaak zal terugwijzen naar het Hof teneinde op het bestaande beroep alsnog te worden berecht en afgedaan. 3. Beoordeling van het middel 3.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in die mate is overschreden dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering. 3.2. Het Hof heeft zijn beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in zijn vordering als volgt gemotiveerd: "Naar het oordeel van het hof is het totale tijdsverloop tussen de terechtzitting in de strafzaak tegen veroordeelde d.d. 16 oktober 1996, op welke terechtzitting door de officier van justitie een ontnemingsvordering tegen de veroordeelde werd aangekondigd, en de behandeling van de onderhavige zaak ter terechtzitting in hoger beroep van 17 november 2003 zodanig, dat niet meer gezegd kan worden dat de behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Van het bestaan van bijzondere omstandigheden met betrekking tot deze niet ingewikkelde ontnemingszaak die tot een ander oordeel zouden behoren te leiden, is niet gebleken. De overschrijding van de redelijke termijn is van dien aard dat - ook na afweging van het belang dat de gemeenschap na overschrijding van de redelijke termijn behoudt bij voordeelsontneming tegen het belang dat de veroordeelde heeft bij verval van het recht tot voordeelsontneming nadat die termijn is overschreden - niet kan worden volstaan met de oplegging van een lager ontnemingsbedrag, aangenomen dat aan alle overige voorwaarden voor ontneming is voldaan. Daarom moet het openbaar ministerie - met vernietiging van het vonnis waarvan beroep - alsnog niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel." 3.3. De aan de Hoge Raad toegezonden stukken houden het volgende in: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.