16 november 2004 Strafkamer nr. 02787/03 AGJ/SM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 4 juni 2003, nummer 23/150248-02, in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak Het Hof heeft het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde feit en voorts in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Haarlem van 5 november 2002 - de verdachte vrijgesproken van het bij inleidende dagvaarding onder 1. primair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1. subsidiair, 2. en 4. "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd" veroordeeld tot het verrichten van een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair zestig dagen hechtenis, met verbeurdverklaring zoals in het arrest omschreven. 2. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. Y.A.G. Mellema-Zijlstra, advocaat te Spaarndam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. 3. Beoordeling van het eerste middel 3.1. Het middel richt zich met rechts- en motiveringsklachten tegen het oordeel van het Hof dat geen grond bestaat voor nietigverklaring van de dagvaarding in eerste aanleg. 3.2. Ter terechtzitting in hoger beroep van 21 mei 2003 heeft de raadsvrouwe een verweer gevoerd dat door het Hof als volgt is samengevat en verworpen: "De raadsvrouwe van de verdachte heeft zich in haar appelschriftuur, welke zij ter terechtzitting heeft toegelicht, op het standpunt gesteld dat de inleidende dagvaarding voor de terechtzitting in eerste aanleg van 3 april 2002 nietig dient te worden verklaard. Zij heeft betoogd dat de politierechter ten onrechte het onderzoek ter terechtzitting van 3 april 2002 heeft aangehouden, teneinde het Openbaar Ministerie in de gelegenheid te stellen de verdachte op het van het GBA-adres afwijkende adres op te roepen. De raadsvrouwe heeft uiteengezet dat ten tijde van de terechtzitting van 3 april 2002 weliswaar volgens een mededeling van het GBA verdachte daar toen stond ingeschreven op het adres [a-straat 1], doch dat reeds door haar per brief van 10 juli 2000 (het hof begrijpt 10 juli 2001) was medegedeeld dat de verdachte op [a-straat 1]b woonde, alsmede dat uit de processen-verbaal van de politie duidelijk was dat de verdachte op dat betreffende adres woonachtig was. Zij acht de betekening van de dagvaarding van de verdachte op het adres [a-straat 1], waardoor de verdachte de dagvaarding nimmer ontvangen heeft, dan ook te wijten aan onzorgvuldig optreden van het Openbaar Ministerie. Nadat de politierechter ter terechtzitting van 3 april 2002 ten onrechte niet heeft geconcludeerd tot nietigheid van de dagvaarding, maar besloten heeft het onderzoek voor onbepaalde tijd te schorsen, heeft de verdachte voor de zitting van 5 november 2002 een oproeping ontvangen. Uit een oproeping blijkt echter niet waarvoor een verdachte terechtstaat, aldus de raadsvrouwe. Naar aanleiding van de oproeping heeft verdachte contact opgenomen met een medewerkster van haar kantoor, maar de raadsvrouwe was in verband met vakantie niet aanwezig en bij haar terugkomst was het te kort dag om de zaak met haar cliënt inhoudelijk te bespreken. Volgens de raadsvrouwe is het niet de taak van een advocaat, de verdachte op de hoogte te stellen van de feiten waarvoor hij terechtstaat. Nu de verdachte niet wist waarvoor hij werd opgeroepen, is de verdachte ter terechtzitting van 5 november 2002 niet verschenen. Zij heeft geconcludeerd dat nu bij de oproeping geen tenlastelegging was ingesloten en de daar voorafgaande dagvaarding door onzorgvuldigheid van het Openbaar Ministerie op het onjuiste adres is betekend, de verdachte ten onrechte de kans is ontnomen in twee instanties een zorgvuldige verdediging te voeren, zodat de inleidende dagvaarding nietig is. Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Ten tijde van het uitreiken van de dagvaarding voor de zitting van 3 april 2002 beschikte het Openbaar Ministerie over een in het strafdossier aanwezige mededeling van het GBA dat verdachte daar stond ingeschreven op het adres [a-straat 1]. Voorts bleek uit het proces-verbaal van politie dat verdachte feitelijk woonde op het adres [a-straat 1]b. De verdachte heeft deze dagvaarding nimmer ontvangen en ter terechtzitting van 3 april 2002 is de verdachte dan ook niet verschenen. De politierechter heeft ter terechtzitting van 3 april 2002 gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid op grond van artikel 590, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Hierin wordt bepaald dat, indien ter terechtzitting blijkt dat het feitelijk adres van de verdachte afwijkt van het GBA-adres, de rechter de oproeping van de verdachte voor een nadere terechtzitting kan bevelen. Het hof overweegt dat de politierechter in overeenstemming met de hem toegekende wettelijke bevoegdheid heeft beslist en vindt derhalve geen aanleiding alsnog de inleidende dagvaarding nietig te verklaren. Ten overvloede overweegt het hof nog het volgende. De oproeping voor de zitting van de politierechter van 5 november 2002 is de verdachte in persoon betekend. Verdachte was derhalve op de hoogte van het tijdstip van de nadere terechtzitting, op welke terechtzitting verdachte evenwel niet is verschenen. Zijn raadsvrouwe, die bekend was met de inhoud van de dagvaarding, is wel verschenen. De raadsvrouwe had zeer wel ter zitting van 5 november 2002 aanhouding kunnen verzoeken, teneinde de gelegenheid te krijgen de inhoud van de verdenking met de verdachte te bespreken en de verdediging voor te kunnen bereiden. Van een dergelijk verzoek van de zijde van de verdediging is het Hof uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 5 november 2002 niet gebleken. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard geen kennis te hebben willen nemen van de inhoud van de dagvaarding, hoewel hij contact had met zijn raadsvrouwe die de inhoud kende. De raadsvrouwe heeft gemeend dat het niet haar taak was om haar cliënt desondanks mee te delen wat de dagvaarding inhield. Een dergelijke houding van de verdediging, die lijkt te zijn ingegeven met de bedoeling om een beroep te doen op de nietigheid van de dagvaarding en aldus de voortgang van de procedure te vertragen, dient voor rekening van de verdediging te blijven." 3.3. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.