26 oktober 2004 Strafkamer nr. 00956/04 EC/IV Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 7 oktober 2003, nummer 23/001572-02, in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Haarlem van 17 december 2001 - de verdachte vrijgesproken van het bij inleidende dagvaarding tenlastegelegde. 2. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Namens de verdachte hebben mr. G.P. Hamer en mr. A.M. Ficq-Kengen, beiden advocaat te Amsterdam, het cassatieberoep tegengesproken. De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 3. Beoordeling van het middel 3.1. Het middel komt op tegen de door het Hof gegeven vrijspraak. 3.2. Het gaat in dit geding om een verdachte die als groepsleidster in twee kinderdagverblijven in drie jaar tijd aanwezig is geweest bij twaalf medische incidenten bij zes verschillende kinderen. Bij inleidende dagvaarding is de verdachte tenlastegelegd dat zij zich, kort gezegd, heeft schuldig gemaakt aan poging tot moord op, dan wel poging tot doodslag, subsidiair poging tot zware mishandeling al dan niet met voorbedachten rade, meer subsidiair mishandeling met voorbedachten rade van deze zes kinderen. 3.3. Het Hof heeft de verdachte vrijgesproken van de haar tenlastegelegde strafbare feiten. Het heeft die vrijspraak als volgt gemotiveerd: "1. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat in 3 jaar tijd in twee kinderdagverblijven bij de zes in de tenlastelegging genoemde kinderen 12 'medische' incidenten hebben plaatsgevonden, waarbij die kinderen/baby's (in aanzienlijke mate) onwel zijn geworden en in een aantal gevallen zodanig dat zij per ambulance naar het ziekenhuis vervoerd dienden te worden. Geen van de incidenten heeft geleid tot het overlijden van één van deze kinderen. Vast staat ook dat verdachte bij al die incidenten als groepsleidster aanwezig is geweest. Bij elf van de twaalf incidenten was zij degene die het laatst met de kinderen in contact was geweest en die de incidenten bij de kinderen signaleerde. Bij één incident, genoemd in feit 2 van de tenlastelegging, had zij het kind 's-morgens verzorgd voordat het na de lunchpauze door een collega uit bed werd gehaald en gevoed, waarna het incident plaatsvond. 2. Het hof heeft kennisgenomen van de rapporten, inhoudende medisch dossieronderzoek en conclusies, die zijn opgemaakt naar aanleiding van de incidenten bij deze kinderen, waaronder het rapport van dr. R.P.G.M. Bijlmer, kinderarts. Dr. Bijlmer komt in zijn rapport 'Beoordeling en interpretatie incidenten op KDV' d.d. 6 april 2003 op grond van de beschikbare medische gegevens -kort samengevat- tot de volgende beoordelingen en conclusies: - Ten aanzien van het in feit 1 van de tenlastelegging genoemde kind: ALTE e.c.i. (Apparent Life Threatening Event, e causa ignota, welk begrip in het rapport wordt gedefinieerd). Eenmalig incident, op basis van mogelijke vasovegatieve reactie ten gevolge van plotselinge zure reflux van maag naar slokdarm. Differentiaaldiagnostisch valt epileptisch insult te overwegen. Als zodanig niet als uiterst merkwaardig of verdacht aan te merken; - Ten aanzien van het in feit 2 van de tenlastelegging genoemde kind: incident waarschijnlijk op basis van maagerosies door entero-virus, maar niet bewezen door middel van endoscopie. Als zodanig niet als uiterst merkwaardig of verdacht aan te merken; - Ten aanzien van het in feit 3 van de tenlastelegging genoemde kind: ALTE e.c.i., twee gelijksoortige incidenten ogenschijnlijk veroorzaakt door dreigende verstikking door bloedverlies vanuit de neusholten naar de keel, waarbij geen medische oorzaken zijn gevonden voor het bloedverlies, zodat de omstandigheden waarbij deze incidenten hebben plaatsgevonden onder gelijke omstandigheden en op dezelfde locatie als uiterst merkwaardig moeten worden aangemerkt. Een opzettelijke veroorzaking door uitwendig geweld of lichaamsvreemde stoffen moet zeker bij de differentiaaldiagnose betrokken worden, maar valt achteraf niet te bewijzen op grond van harde klinische feiten; - Ten aanzien van het in feit 4 van de tenlastelegging genoemde kind: recidiverende verschijnselen (tweemaal) zonder medische aanwijzingen voor vaatmalformaties stollingsstoornissen of zichtbare uitwendige tekenen van een trauma. Een dergelijk recidiverend symptomencomplex op een en dezelfde locatie moet als uiterst merkwaardig worden aangemerkt, waarbij opzettelijke obstructie van de luchtweg differentiaaldiagnostisch moet worden overwogen, maar medisch niet meer valt te bewijzen; - Ten aanzien van het in feit 5 van de tenlastelegging genoemde kind: recidiverende ALTE e.c.i., recidiverende incidenten (vijfmaal). Differentiaaldiagnostisch kan worden gedacht aan momenten van forse zure reflux. Het recidiverend symptomencomplex op een en dezelfde locatie moet als uiterst merkwaardig worden aangemerkt, waarbij opzettelijke obstructie van de luchtweg differentiaaldiagnostisch moet worden overwogen; - Ten aanzien van het in feit 6 van de tenlastelegging genoemde kind: eenmalige ALTE e.c.i. mogelijk ten gevolge van verslikincident of moment van zure reflux, 4 maanden later gevolgd door een ander onduidelijk incident tijdens een vermoedelijk virale infectie. Als zodanig niet als uiterst merkwaardig of verdacht aan te merken. In de eindconclusie van zijn rapport plaatst dr. Bijlmer de kanttekening dat bij de 6 kinderen met in totaal 13 incidenten op grond van de geleverde documentatie en op grond van eigen kennis en ervaring kan worden geconcludeerd dat er bij geen van de incidenten sprake is van een duidelijke diagnose op grond van bewezen medisch onderzoek. Het gaat in alle gevallen om waarschijnlijkheidsdiagnoses of differentiaaldiagnostische overwegingen, welke achteraf ook niet meer door aanvullend onderzoek nader zijn vast te stellen. Wel moet het grote aantal incidenten in bijna drie jaar op een en dezelfde locatie in een kinderdagverblijf, terwijl dergelijke incidenten niet bij de ouders thuis zijn voorgekomen, als uiterst merkwaardig gezien worden. 3. Gelet op de hierboven onder 2. vermelde conclusies komt het hof tot het oordeel dat in geen van de tenlastegelegde gevallen valt uit te sluiten dat de geconstateerde ziekteverschijnselen bij de kinderen een medische oorzaak hebben gehad. Op grond van de medische gegevens alleen valt derhalve in geen van de gevallen uit te sluiten dat het desbetreffende incident door een buiten verdachte liggende oorzaak is ontstaan. 4. Ook overigens heeft het hof onvoldoende bewijs gevonden om tot het oordeel te komen dat medische oorzaken dienen te worden uitgesloten en dat de gedragingen of het nalaten van verdachte, waaruit deze ook bestonden, de geconstateerde ziekteverschijnselen (moeten) hebben veroorzaakt. 5. Het hof heeft kennisgenomen van de statistische bevindingen van dr. H. Elffers d.d. 29/30 januari 2003 en d.d. 25 april 2003 en van prof. dr. A.H. Zwinderman d.d. 29 januari 2003, 23 mei 2003 en 12 september 2003, welke laatste tevens ter terechtzitting van 23 september 2003 door het hof is gehoord. Deze rapporten betreffen -kort samengevat- berekeningen van de waarschijnlijkheid dat een bepaalde kinderdagverblijfleidster, in casu verdachte, diverse keren gedurende haar diensten op een tweetal kinderdagverblijven is geconfronteerd met incidenten (ALTE'
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.