21 december 2004 Strafkamer nr. 03010/03 SG/SM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 4 juli 2003, nummer 22/000378-02, in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959, zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande. 1. De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Middelburg van 21 maart 2001 - de verdachte ter zake van "poging tot doodslag" veroordeeld tot drie jaren gevangenisstraf. 2. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G.G.J. Knoops, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De plaatsvervangend Procureur-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de bestreden uitspraak zal worden vernietigd en dat de zaak zal worden verwezen naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep te worden berecht en afgedaan. 3. Beoordeling van het eerste middel 3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof het beroep op noodweer(exces) ten onrechte, althans op ontoereikende gronden heeft verworpen. 3.2. Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting van 20 juni 2003 gehechte pleitnotities heeft de raadsman te dier zake onder meer het navolgende aangevoerd: "21. [Verdachte] werd door een groep gewapende mannen in zijn eigen verblijfsomgeving plotsklaps overvallen. Er werd gecommandeerd dat hij mee moest en door die bende meegedeeld dat de bende de Juliëtbende was. [Verdachte] kende die mensen in die groep, uitgezonderd [betrokkene 1], in het geheel voordien niet. Vervolgens trokken die bendeleden wapens om effectief dwang uit te oefenen dat hij mee zou gaan. Zou daarop [verdachte] ook een wapen hebben getrokken en als eerste geschoten hebben dan had hij gelet op alle eerdergenoemde omstandigheden daartoe grond, omdat er een onmiddellijk dreigend gevaar (noot: Zie onder meer: HR 30 maart 1976, NJ 1976 nr 322) bestond voor een wederrechtelijke aanranding. Gelet op die overmacht en handelwijze van de bende en alle eerdere bijkomende omstandigheden, w.o. het ontbreken van een (reële) vluchtmogelijkheid en het feit van publieke bekendheid (...) dat de Juliëtbende een van Nederlands meest gevreesde bendes is of was, was van een zodanig voor [verdachte] onmiddellijk dreigend gevaar voor een wederrechtelijke aanranding sprake." 3.3. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt verworpen: "Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman het verweer gevoerd dat de verdachte heeft gehandeld in een noodweer(exces)-situatie. Het hof verwerpt dit verweer, aangezien geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden, die de conclusie zouden kunnen rechtvaardigen dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de verdachte door anderen naar aanleiding waarvan de verdachte geschoten zou hebben. Aan de hand van de processtukken en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep heeft het hof geen duidelijkheid kunnen verkrijgen omtrent hetgeen (kort) vóór het schieten door de verdachte in de woonwagen is voorgevallen. Weliswaar is aannemelijk geworden dat ook van de zijde van de groep personen, met wie de verdachte werd geconfronteerd, is geschoten, maar niet aannemelijk is geworden dat het initiatief tot het gebruiken van vuurwapengeweld niet bij de verdachte heeft gelegen. Uit het door het hof als bewijsmiddel gebezigde proces-verbaal nr. TMASC51A006 (inhoudende de weergave van een via een open telefoonlijn afgeluisterd gesprek van de familie [van betrokkene 1] op 25 september 2000) blijkt immers dat volgens de getuige [betrokkene 1] de verdachte als eerste heeft geschoten. Onder die omstandigheden faalt een beroep op noodweer, en derhalve ook een beroep op noodweerexces." 3.4. Aldus heeft het Hof geoordeeld dat aan de verdachte geen beroep op noodweer(exces) toekomt op de enkele grond dat de verdachte het initiatief tot het gebruik van vuurwapengeweld heeft genomen. 3.5. Mede blijkens de bewijsmiddelen is het Hof van de volgende vaststellingen uitgegaan. (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.