1 februari 2005 Strafkamer nr. 00047/04 E AGJ/SM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, Economische Kamer, van 12 mei 2003, nummer 21/001572-02, in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1951, wonende te [woonplaats].
(4)- vuurwerk opgeslagen en/of opgeslagen gehouden dat massa-explosief was, tengevolge waarvan het aan de schuld van voornoemde vennootschap onder firma te wijten is geweest dat, toen op 13 mei 2000 op enige wijze brand was ontstaan op het bedrijfsterrein van voornoemde vennootschap onder firma deze brand zich zodanig kon ontwikkelen en/of uitbreiden dat ontploffingen en branden ontstonden, welke feiten de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] en [slachtoffer 10] en [slachtoffer 11] en [slachtoffer 12] en [slachtoffer 13] en [slachtoffer 14] en [slachtoffer 15] en [slachtoffer 16] en [slachtoffer 17] en [slachtoffer 18] en [slachtoffer 19] en [slachtoffer 20] ten gevolge hebben gehad, zulks terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander tot de vorenomschreven strafbare feiten opdracht heeft gegeven en feitelijke leiding heeft gegeven aan de vorenomschreven verboden gedragingen." 8.3.1. Vooreerst geldt het volgende. De door het Hof gebezigde bewijsmiddelen houden omtrent het opdracht geven aan de bedoelde feiten niets in en houden - integendeel - in dat de gedragingen van de verdachte waaruit die opdracht zou moeten volgen (in overwegende mate) hebben bestaan uit het nalaten de vereiste maatregelen te treffen. In de bewezenverklaring van feit 4 zijn de woorden "tot de vorenomschreven strafbare feiten opdracht heeft gegeven" ten onrechte opgenomen. Dit behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden, nu de Hoge Raad die fout kan herstellen. Door deze verbetering wordt de verdachte niet in enig in rechte te respecteren belang geschaad, nu een keuze tussen 'opdracht geven' en 'feitelijke leiding geven' van geen belang is voor de strafrechtelijke betekenis van het bewezenverklaarde. De Hoge Raad leest de bestreden uitspraak dienovereenkomstig verbeterd. 8.3.2. Gelet op het voorgaande leest de Hoge Raad de kwalificatie van feit 4, zoals hiervoor onder 1 vermeld, aldus verbeterd dat deze uitsluitend inhoudt dat de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging. 8.4. De tenlastelegging onder 4 is toegesneden op art. 158, aanhef en onder 3°(oud), Sr, welke bepaling luidt: "Hij aan wiens schuld brand, ontploffing of overstroming te wijten is, wordt gestraft: (...) 3° met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie, indien het feit iemands dood ten gevolge heeft." 8.5. Het in de bewezenverklaring, overeenkomstig de tenlastelegging, voorkomende begrip 'schuld' is daarin klaarblijkelijk gebezigd in de in art. 158 (oud) Sr bedoelde zin. 8.6.1. De bestreden uitspraak houdt onder het kopje "Bewijsoverweging betreffende feit 4" het volgende in: "Van de onder punt 4. aan de vennootschap verweten gedragingen is het hof door de inhoud van de bewijsmiddelen voldoende overtuigd. Het hof is van oordeel dat die gedragingen hebben veroorzaakt dat, toen een brand op het bedrijfsterrein was ontstaan, deze zich zodanig kon ontwikkelen en uitbreiden dat ontploffingen en branden ontstonden met de dood van de in de telastelegging genoemde personen als gevolg. Over het verloop van de brand is veel onzekerheid blijven bestaan en er kan dan ook niet gezegd worden dat alle in de telastelegging genoemde gedragingen elk voor zich de ramp veroorzaakt hebben. Voor in elk geval de laatste van de genoemde gedragingen geldt dat echter wel: dat de aanwezigheid van massa-explosief vuurwerk tot de omvang van de ramp geleid heeft, beschouwt het hof als vaststaand. Grond daarvoor is dat, zoals hiervoor ook al is overwogen, dat de aanwezigheid van te zwaar en deels naar zijn aard massa-explosief vuurwerk de ramp in redelijkheid verklaren kan en dat er geen redelijke grond is om rekening te houden met andere factoren die tot de ramp kunnen hebben bijgedragen in zodanige mate dat deze aan de aanwezigheid van te zwaar vuurwerk niet meer toegerekend zou kunnen worden. De vraag of SE Fireworks en haar vennoten, waaronder verdachte, daaraan schuld dragen in een voor de veroordeling wegens misdrijf vereiste mate, beantwoordt het hof bevestigend. Het moge waar zijn dat juist de overtreding die bij uitstek tot de omvang van de ramp heeft bijgedragen, niet opzettelijk begaan is, de vennootschap en verdachte droegen daaraan wel schuld. Het hof is van oordeel dat het verdachte uit dien hoofde te maken verwijt zwaar moet wegen. Dat er te zwaar en massa-explosief vuurwerk opgeslagen was, wist verdachte weliswaar niet, maar slechts omdat hij er niet bij heeft stilgestaan en dat had hij uiteraard wel moeten doen. Hij was dagelijks professioneel met vuurwerk bezig en hij beschikte over de deskundigheid om de daaraan verbonden gevaren adequaat in te schatten. Hij had als ondernemer ook de verantwoordelijkheid en de verplichting over die deskundigheid te beschikken en die aan te wenden, niet slechts voor de voortgang van zijn bedrijf, maar ook voor de bescherming van allen die daardoor bedreigd konden worden. Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat voor 13 mei 2000 niemand in Nederland zich bewust is geweest van de gevaren en dat is, op zijn minst in hoofdlijnen, juist. Maar de onachtzaamheid en onzorgvuldigheid van anderen pleiten verdachte niet vrij. Dat geldt bijvoorbeeld voor andere ondernemers die mogelijk soortgelijke fouten hebben gemaakt maar in wier bedrijven, in zekere zin toevallig, geen ongelukken zijn gebeurd. Het geldt ook, maar niet in dezelfde mate, voor overheden en overheidsdienaren die weliswaar in voldoende mate, maar niet op voldoende zorgvuldige wijze toezicht op de naleving van de vergunningsvoorschriften hebben gehouden. Niet in dezelfde mate omdat de wetenschap dat er controle op hun onderneming werd uitgeoefend, maar waarschuwingen, althans ernstige waarschuwingen uitbleven, bij SE Fireworks en haar vennoten de gedachte kon doen postvatten dat het met de veiligheid in de onderneming goed gesteld was. Zij hadden zich niet in slaap mogen laten sussen, maar dat zij dat toch deden is niet oninvoelbaar. Het hof is echter van oordeel dat dit weliswaar in de straftoemeting in aanmerking genomen moet worden, maar dat niettemin van aanmerkelijke schuld bij SE Fireworks en haar vennoten sprake is. Dat vloeit voort uit hun eigen en zelfstandige verantwoordelijkheid voor de onderneming die zij dreven en waarvan zij beter dan wie ook de bijzondere en gevaarlijke aard hadden moeten onderkennen." 8.6.2. De bestreden uitspraak houdt onder het kopje 'Verweren ten aanzien van de hoeveelheid en classificatie van het vuurwerk', voorzover hier van belang, het volgende in: "Door en namens verdachte [is] er een aantal verweren gevoerd tegen de vaststelling van de hoeveelheid vuurwerk die op 13 mei 2000 bij SE Fireworks aanwezig was, en de classificatie van dit vuurwerk. (...) Door de verdediging is de vraag opgeworpen, wat de betekenis is van de gevarenklasse waarvan in de aan SE Fireworks verleende vergunning sprake is. De raadsman heeft betoogd, dat in Nederland geïmporteerd vuurwerk vóór het transport wordt geclassificeerd "door een daartoe in het land van herkomst bevoegde autoriteit of afzender conform de in het Manual of Tests and Criteria beschreven beproevingsmethode". Het hof tekent aan, dat inderdaad wellicht een dergelijke handelwijze voorgeschreven is, maar dat gerede twijfel bestaat, of serieuze en betrouwbare classificatie wel steeds geschiedde door de aan SE Fireworks leverende exporterende bedrijven, dan wel door aangewezen overheidsinstanties. De raadsman heeft in dit verband betoogd, dat als in de milieuvergunning slechts wordt toegestaan opslag van vuurwerk van de gevarenklasse 1.4G en 1.4S, daarmee niets anders bedoeld wordt dan vuurwerk dat door de daartoe bevoegde producent of de classificatie-instantie als 1.4G, dan wel 1.4S is "gelabeld". Het hof verenigt zich niet met die visie. Het hof is van oordeel, dat, waar aan SE Fireworks was toegestaan de opslag van een bepaalde hoeveelheid vuurwerk van de klasse 1.4, eventueel te combineren met een beperkte hoeveelheid van de klasse 1.3, daarmee voor SE Fireworks een verbod gold voor het opslaan van vuurwerk, waarvan de feitelijke gevaarlijkheid groter was dan die van de klasse 1.4, respectievelijk 1.3 mocht zijn. Anders gezegd: als behorend tot de gevarenklasse 1.1 wordt in de classificatieregels aangemerkt materiaal dat massa-explosief reageert. Als aan SE Fireworks niet werd toegestaan vuurwerk van de klasse 1.1 op te slaan - en dat was niet toegestaan -, dan vloeit daaruit voort, dat het SE Fireworks niet was toegestaan massa-explosief vuurwerk (zoals in elk geval de grotere titanium shells) in voorraad te hebben; ook niet, als daarop etiketten met de vermelding 1.4G of 1.4S waren aangebracht. Een andere lezing van de milieuvergunning, die mede strekt ter afwering van gevaren voor omwonenden van bedrijven met potentieel gevaarlijke activiteiten acht het hof in strijd met de strekking van de vergunning. Wel kan de raadsman worden toegegeven, dat onaanvaardbaar zou zijn, indien de houder van een milieuvergunning strafbaar zou zijn als hij schuldeloos vuurwerk, geëtiketteerd als 1.4G of 1.4S, maar feitelijk behorend tot een hogere gevarenklasse zou opslaan. Het hof zal dan ook onderzoeken, of, indien is komen vast te staan, dat bij SE Fireworks feitelijk te zwaar vuurwerk heeft gelegen, daarvan aan de verdachte een verwijt kan worden gemaakt. In het classificatieonderzoek, gerelateerd in het ambtsedig proces-verbaal van de buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) Sijmen Klaas Roosma d.d. 13 maart 2001 wordt een resultaat bereikt op basis van de voorlopige voorraadberekening. Slechts op grond van dergelijke berekeningen, uitgevoerd op basis van belangrijke delen van de administratie van SE Fireworks, aangevuld met andere methodieken, kon de hoeveelheid vuurwerk die op 13 mei 2000 was opgeslagen op het terrein van SE Fireworks worden vastgesteld, waarbij van belang is, dat het gewicht van de verschillende producten zoveel mogelijk is bepaald door weging van producten van dezelfde soort, en dat bij verschillen of afrondingen altijd is gekozen voor de uitkomst die het meest gunstig was voor verdachte. Het hof acht deugdelijk de werkwijze waarbij mede in ogenschouw is genomen de inhoud van containers die vanuit China op transport waren gezet, maar nog niet bij SE Fireworks waren aangekomen, alsmede het onderzoek naar vuurwerk dat door SE Fireworks aan derden was geleverd, en naar vuurwerk waarvan kon worden aangenomen, dat het soortgelijk was aan het door SE Fireworks opgeslagen materiaal. Bij verschil in de classificatie door TNO-PML en BAM is er gekozen voor de voor verdachte meest gunstige uitkomst. Het hof neemt op grond van de hieronder weergegeven bevindingen, en na correctie wegens het meetellen van niet explosief hulpmateriaal, als vaststaand aan, dat zich op 12 mei 2000 op het terrein van SE Fireworks heeft bevonden ca 160 ton vuurwerk. Hiervan was ca 94 ton vuurwerk van de klasse 1.3G, ruim 5 ton van de klasse 1.2 of 1.3G, 10 ton van de klasse 1.1 of 1.3G, en ruim 800 kg titaniumshells van de klasse 1.1G. Op grond van de vergunning was slechts toegestaan de opslag van 158,5 ton van de minder brand- en explosiegevaarlijke klasse 1.4, dan wel, indien ook vuurwerk van de klasse 1.3 was opgeslagen, van die klasse ten hoogste 2 ton, te combineren met ten hoogste 136,5 ton van de klasse 1.4, zulks terwijl de opslag van de zwaarste gevarenklasse 1.1, zijnde massa-explosief materiaal, en van de gevarenklasse 1.2 in het geheel niet was toegestaan. Zijdens de verdediging van de medeverdachte is op grond van een aantal naar haar oordeel noodzakelijke correctiefactoren bepleit, dat op 13 mei 2000 niet (zoals door het Tolteam berekend) ruim 170 ton vuurwerk was opgeslagen, maar slechts 118.882 kilogram. Hierbij zou in totaal 14.665 kilo moeten worden afgetrokken omdat bij de berekening was uitgegaan van verkeerde gewichten van producten. Verder zou in verband met een foutmarge van 10% 15.533 kilo moeten worden afgetrokken en 20.970 kilo omdat volgens de verdediging ten onrechte de verpakking van het vuurwerk is meegeteld in het totale gewicht. Het hof is van oordeel dat, gelet op de inhoud van de vergunningsvoorschriften 13.2.10, 2.1.1 en 3.2.9 niet de totale hoeveelheid vuurwerk bepalend is voor de vraag of deze voorschriften zijn overschreden, maar de hoeveelheid die er per klasse aanwezig was en mocht zijn. Zelfs indien er, zoals de verdediging stelt van de medeverdachte, slechts 118.882 kilo vuurwerk aanwezig zou zijn geweest dan nog staat vast dat er op 13 mei 2000 bij SE Fireworks meer en/of zwaarder vuurwerk dan vergund was opgeslagen. Immers leiden de door de verdediging voorgestelde correcties niet tot een zodanige vermindering van het vuurwerk van de klasse 1.3 dat er niet meer dan de maximaal vergunde hoeveelheid van 2000 kilo aanwezig zou zijn geweest en wordt ook de aanwezigheid van vuurwerk van de klasse 1.1. hierdoor niet weggenomen. Deze vèrgaande afwijking van de voorschriften verbonden aan de verleende vergunningen is naar het oordeel van het hof er oorzaak van geweest, dat de op 13 mei 2000 ontstane brand zo catastrofale gevolgen heeft gehad voor de stad Enschede en zijn bewoners. SE Fireworks heeft zeer grote hoeveelheden vuurwerk van niet of slechts zeer beperkt toegestane gevarenklasse in voorraad gehad, waarbij in het bijzonder de aanwezigheid van de hoog-explosieve titaniumshells een belangrijke rol moet hebben gespeeld bij de zware explosies die hebben plaatsgevonden. Dat grondt het hof daarop dat de aanwezigheid van te zwaar vuurwerk de ramp in redelijkheid verklaren kan en dat er geen redelijke grond is om rekening te houden met andere factoren die tot de ramp kunnen hebben bijgedragen in zodanige mate dat deze aan de aanwezigheid van te zwaar vuurwerk niet meer toegerekend zou kunnen worden. Het hof is van oordeel, dat de vennoten van SE Fireworks niet alleen uit hoofde van hun functie verantwoordelijkheid dragen voor het ontstaan van deze zeer gevaarlijke situatie, maar dat zij ook feitelijk schuld dragen aan de opslag van deze grote hoeveelheid gevaarlijk materiaal. Weliswaar hebben zij aangevoerd, dat zij afgingen en mochten afgaan op de etikettering die door de Chinese producenten werd aangebracht, maar het hof verenigt zich daarmee niet. Gebleken is, dat op de bij SE Fireworks opgeslagen soorten vuurwerk vrijwel zonder uitzondering een etiket van de gevarenklasse 1.4 was aangebracht. Het hof is tot de overtuiging gekomen, dat die etikettering in het geheel geen verband had met de werkelijke gevaarlijkheid van het vuurwerk. Het valt te vrezen, en ook verdachte had daarmee rekening moeten houden, dat de etikettering in belangrijke mate mede werd bepaald door overwegingen van commerciële aard, in die zin, dat transport van als minder gevaarlijk geëtiketteerde soorten veel goedkoper zou zijn, zodat voor een belangrijk lagere prijs kon worden geleverd aan de importeurs dan wanneer op de verpakking kenbaar was, dat de vervoerder te maken had met vuurwerk van de klasse 1.3, 1.2 of 1.1. Verdachte moet hebben begrepen, of in elk geval hebben kunnen begrijpen, dat sommige soorten vuurwerk dan ook van een zwaardere klasse waren dan 1.4. In het bijzonder geldt dat voor de titaniumshells, waarvan bij de classificatietests zeer zware explosieve eigenschappen werden vastgesteld. Het hof acht het uitgesloten, dat verdachte geen twijfels heeft gehad aangaande de juistheid van de indeling in gevarenklasse, temeer, nu de etikettering naar gevarenklasse niet (zoals de verdediging stelde) moest geschieden door een Chinese overheidsinstantie, maar kon plaatsvinden door de producent zelf. Voor zover al niet aan verdachte duidelijk was, dat de etikettering niet geschiedde op basis van een werkelijke vaststelling van explosie- en brandgevaar maar op basis van commerciële afwegingen, moet dit hem toen toch aan het denken hebben gezet. Dat geldt temeer voor verdachte, nu hij zelf veelvuldig betrokken was bij het ontsteken van vuurwerk, waarbij het hem niet kan zijn ontgaan, dat de hierboven omschreven soorten vuurwerk effecten hadden die moesten doen twijfelen aan de juistheid van de etikettering als 1.4, die als volgt wordt omschreven: Stoffen en voorwerpen die slechts een gering explosiegevaar opleveren indien ze tijdens het vervoer tot ontsteking of inleiding komen. De gevolgen blijven in hoofdzaak beperkt tot het collo en leiden niet tot scherfwerking van enige omvang of reikwijdte. Een van buitenaf inwerkende brand mag niet leiden tot een explosie op praktisch hetzelfde ogenblik van vrijwel de gehele inhoud van het collo. Daar komt bij, dat verdachte heeft deelgenomen aan de PTO-cursus, waarover de getuige Kodde, als docent verbonden aan deze opleiding, verklaart, dat na afloop de cursist bij het bezigen van vuurwerk het verschil kan zien tussen vuurwerk van de klasse 1.4 G/S en zwaarder vuurwerk." 8.7. Het Hof heeft bevonden dat SE Fireworks "aanmerkelijk onvoorzichtig en onachtzaam en nalatig" de in de bewezenverklaring vermelde handelingen en gedragingen heeft verricht en dus 'schuld' als bedoeld in art. 158 (oud) Sr eraan heeft dat, toen op 13 mei 2000 op enige wijze brand was ontstaan op haar bedrijfsterrein, de brand zich zodanig kon ontwikkelen en/of uitbreiden dat ontploffingen en branden ontstonden, tengevolge waarvan de genoemde personen zijn overleden, aan welke verboden gedragingen - zijnde die aan de schuld van SE Fireworks te wijten ontploffingen en branden - de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven. 8.8.1. Vooropgesteld moet worden dat het gevolg van de bedoelde ontploffingen en branden, te weten dat de in de bewezenverklaring genoemde personen zijn overleden, aan het in art. 158, aanhef en onder 3°(oud), Sr bedoelde schuldverband is onttrokken. In cassatie moet dus worden beoordeeld of uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat SE Fireworks 'schuld' in de in art. 158 (oud) Sr bedoelde zin heeft aan een dusdanige ontwikkeling en/of uitbreiding van de aanwezige brand dat ontploffingen en branden ontstonden. Waar het Hof in de bestreden uitspraak overwegingen wijdt aan de ontwikkeling van de brand tot 'de ramp' heeft het in verband met de hier aan de orde zijnde schuldvraag alleen die branden en ontploffingen op het oog. 8.8.2. Aantekening verdient voorts dat de hier bedoelde, aan de vennootschap onder firma SE Fireworks toe te rekenen, schuld moet kunnen worden afgeleid uit het handelen en nalaten van de verdachte en zijn medeverdachte, beiden directeur en (al dan niet middellijk) vennoot van die vennootschap, dat heeft geleid tot de bewezenverklaarde ontwikkeling en uitbreiding van de brand tot de branden en ontploffingen. 8.9. Blijkens de toelichting op het middel spitst de klacht zich erop toe dat de verdachte niet heeft kunnen voorzien dat er te zwaar en massa-explosief vuurwerk was opgeslagen en dat daaraan de gevaren waren verbonden zoals deze zich op 13 mei 2000 hebben gemanifesteerd. 8.10. Blijkens de bewijsmiddelen en de in verband daarmee gegeven nadere overwegingen heeft het Hof, kort samengevat, onder meer de volgende feiten en omstandigheden vastgesteld. (
- i)De verdachte was sinds 1990 werkzaam bij het in een woonwijk gelegen vuurwerkbedrijf SE Fireworks. Hij hield zich bezig met vuurwerk. Hij heeft in 1995 de cursus "veilig werken met groot vuurwerk" aan het Post Tertiair Onderwijs Utrecht gevolgd en voorts het diploma voor gevaarlijke stoffen behaald. Sinds 1998 was hij medevennoot en mededirecteur van SE Fireworks. Hij had de leiding over de buitenwerkzaamheden, zoals het lossen van de containers en de vrachtwagens en het vervoer van het vuurwerk naar afnemers en evenementen, terwijl zijn medevennoot en mededirecteur de contacten naar buiten onderhield en de acquisitie en administratie deed. (
- ii)De hier van belang zijnde voorschriften, verbonden aan de aan SE Fireworks krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunningen, betreffen de opslag van vuurwerk en zijn specifiek gegeven met het oog op de brandpreventie en de brandbestrijding. De milieuvergunningen strekken mede ter afwering van gevaren voor omwonenden van potentieel gevaarlijke bedrijven als het onderhavige vuurwerkbedrijf. SE Fireworks heeft opzettelijk in strijd met die voorschriften vuurwerk aanwezig gehad in de als "H" en als "C2" aangemerkte ruimten, die niet voor opslag van vuurwerk bestemde bewaarplaatsen waren, opzettelijk in strijd met de voorschriften vuurwerkbewaarplaatsen, waaronder de zogenoemde MAVO-boxen en een of meer zee-container(s), niet voorzien en voorzien gehouden van zelfsluitende toegangsdeuren en van deuren met een brandwerendheid van tenminste 30 minuten, opzettelijk in strijd met de voorschriften niet telkens zodra de werkzaamheden in de als "C2" aangemerkte werk-, ompak- en montageruimte waren beëindigd het vuurwerk weer naar een bewaarplaats doen terugbrengen, maar dit vuurwerk, onverpakt, daar achtergelaten en voorts in strijd met de voorschriften in bewaarplaatsen meer vuurwerk en/of vuurwerk van een zwaardere klasse opgeslagen. Aan die verboden gedragingen heeft de verdachte, tezamen en in vereniging met zijn medevennoot feitelijke leiding gegeven. (iii) De verdachte wist dat er een milieuvergunning was waarin onder meer voorschriften waren opgenomen ten aanzien van de hoeveelheid toegestaan vuurwerk en de toegestane zwaarteklassen. Hij heeft zich bewust niet volledig op de hoogte gesteld van de inhoud van de vergunningsvoorschriften. De verdachte wist dat er in de als "H" aangemerkte ruimte geen vuurwerk mocht worden opgeslagen, maar dat dit ten tijde van de brand toch het geval was, dat er twee zeecontainers meer op het bedrijf geplaatst waren dan toegestaan en dat ook daarin vuurwerk was opgeslagen en dat in de als "C2" aangeduide ruimte steeds vuurwerk lag opgeslagen, waaronder ten tijde van de brand ook cakeboxen waarvan de bovenkant op geen enkele wijze was afgedekt. De verdachte was ervan op de hoogte dat er in de MAVO-boxen, de zeecontainers en in de werkbunker "C2" geen sprinklerinstallatie aanwezig was. De sprinklerinstallaties in de bunkers "C3" tot en met "C15" zijn nooit getest en op de sproeikoppen stond geen waterdruk. Ook de brandwerendheid van de deuren is nooit getest. (
- iv)Op 12 mei 2000 heeft zich op het terrein van SE Fireworks ca 160 ton vuurwerk bevonden. Hiervan was ca 94 ton vuurwerk van de klasse 1.3G, ruim vijf ton van de klasse 1.2 of 1.3G, 10 ton van de klasse 1.1 of 1.3G, en ruim 800 kg titaniumshells van de klasse 1.1G. Op grond van de vergunning was slechts toegestaan de opslag van 158,5 ton van de minder brand- en explosiegevaarlijke klasse 1.4, dan wel, indien ook vuurwerk van de klasse 1.3 was opgeslagen, van die klasse ten hoogste twee ton, te combineren met ten hoogste 136,5 ton van de klasse 1.4, zulks terwijl de opslag van de zwaarste gevaren-klasse 1.1, zijnde massa-explosief materiaal, en van de gevarenklasse 1.2 in het geheel niet was toegestaan. Het gaat daarbij om vergund vuurwerk waarvan de feitelijke gevaarlijkheid niet groter mocht zijn dan die van de klasse 1.4 respectievelijk 1.3. Op de bij SE Fireworks opgeslagen soorten vuurwerk was vrijwel zonder uitzondering een etiket van de gevarenklasse 1.4 aangebracht, terwijl die etikettering in het geheel geen verband hield met de werkelijke gevaarlijkheid van het vuurwerk; dat geldt in het bijzonder ook voor de bedoelde titanium-shells, ten aanzien waarvan in classificatietests zeer zware explosieve eigenschappen zijn vastgesteld. (
- v)De brand die het vuurwerk in zeecontainer E2 heeft ontstoken is waarschijnlijk ontstaan door brandend of smeulend vuurwerk uitgeworpen uit de - brandende - montageruimte "C2", in welke ruimte geen vuurwerk aanwezig mocht zijn. Het massa-explosieve karakter van het aanwezige vuurwerk heeft het verdere verloop van de branden en ontploffingen bepaald. Als de situatie bij SE Fireworks geheel in overeenstemming met de vergunningsvoorschriften was geweest, had de brand in de montageruimte "C2" niet kunnen escaleren tot de heftige explosies die op 13 mei 2000 hebben plaatsgevonden. Dat de brand in "C2" toch heeft kunnen leiden tot de twee zware explosies is waarschijnlijk veroorzaakt door de aanwezigheid van vuurwerk in de montageruimte van "C2", het massa-explosief gedrag van het vuurwerk opgeslagen in MAVO-box "M7", welk gedrag geleid heeft tot een vrijwel gelijktijdige explosie van de inhoud van de MAVO-boxen "M1" tot en met "M6", en het massa-explosief gedrag van het vuurwerk opgeslagen in "C11", waarbij vrijwel tegelijkertijd de inhoud van de overige opslagruimten van de bewaarplaats en van een aantal zeecontainers is geëxplodeerd. 8.11.1. Uit de bewijsmiddelen en de daaruit blijkende vaststellingen, zoals hiervoor samengevat, heeft het Hof kennelijk - hetgeen niet onbegrijpelijk is - het volgende afgeleid. Op de verdachte en zijn mededirecteur als professionele ondernemers van het in een woonwijk gelegen vuurwerkbedrijf, die op grond van opleiding, ervaring en dagelijkse omgang met vuurwerk moeten hebben beschikt over de deskundigheid om de aan opslag en verwerking van professioneel vuurwerk verbonden gevaren voor het leven en de gezondheid van personen, alsmede voor goederen adequaat af te wegen, rustte de plicht al die maatregelen met betrekking tot de opslag van vuurwerk te treffen die uit een oogpunt van het waarborgen van de veiligheid van personen en goederen van hen konden worden gevergd. Daartoe behoorde in het bijzonder de plicht om de bij uitstek met het oog op de brandpreventie en brandveiligheid gegeven vergunningsvoorschriften nauwgezet na te leven. In de vervulling van die plicht zijn zij ernstig tekortgeschoten. Wat betreft de verboden aanwezigheid van vuurwerk in daarvoor niet bestemde ruimten, de geboden afwezigheid van onverpakt vuurwerk en de voorgeschreven zelfsluitendheid en brandwerendheid van de bedoelde deuren hebben zij de desbetreffende vergunningsvoorschriften opzettelijk niet nageleefd. Wat betreft de in de vergunningsvoorschriften verboden opslag van te zwaar en deels naar zijn aard massa-explosief vuurwerk, waaronder de titaniumshells, hadden de verdachte en zijn medeverdachte met het oog op de bijzondere gevaarlijkheid daarvan voor het ontstaan van branden en ontploffingen en de daarvan te verwachten gevolgen - van welk bijzonder gevaar zij op grond van hun deskundigheid op de hoogte moeten zijn geweest - ter voorkoming of beperking van dit gevaar tenminste uiterst zorgvuldig behoren na te gaan of zodanig vuurwerk was opgeslagen of opgeslagen werd gehouden. Dat hebben zij nagelaten. Het verzaken van die plicht tot controle kan - aldus nog steeds het kennelijk en niet onbegrijpelijk oordeel van het Hof - niet worden verontschuldigd met een beroep op de stelling dat de verdachte niet wist of kon voorzien dat massa-explosief vuurwerk was opgeslagen, in het bijzonder omdat zulks niet kon worden onderkend aan de hand van de desbetreffende etikettering met de classificatie 1.4 op verpakt vuurwerk. Het Hof heeft immers, niet onbegrijpelijk, vastgesteld dat de etikettering - die overigens wat betreft de feitelijke gevaarlijkheid niet meer rechtstreeks van belang is als het vuurwerk onverpakt of in een geopende verpakking is opgeslagen - in het geheel geen verband had met de werkelijke gevaarlijkheid van het vuurwerk, dat de verdachte ermee rekening had moeten houden dat deze etikettering slechts was ingegeven door commerciële overwegingen, dat de verdachte, gelet op zijn opleiding en ervaring, moet hebben begrepen dat in ieder geval sommige soorten vuurwerk, zoals de titanium-shells, van een zwaardere klasse waren dan 1.4 en dat het uitgesloten is dat de verdachte geen twijfels heeft gehad aan de juistheid van de indeling in de gevarenklasse op de etiketten van het verpakte vuurwerk. In deze vaststellingen ligt besloten dat de verdachte ook heeft kunnen weten dat er op het terrein massa-explosief vuurwerk, waaronder de titaniumshells, lag opgeslagen, maar dat hij daarvan slechts door nalatigheid geen kennis heeft gedragen. 8.11.2. Aldus heeft het Hof zonder miskenning van het begrip 'schuld' in de zin van art. 158 (oud) Sr uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat het geheel van de handelen en nalaten van de beide verdachten getuigde van de bewezenverklaarde aanmerkelijke onvoorzichtigheid, onachtzaamheid en nalatigheid en dus van schuld in de bedoelde zin van SE Fireworks. 8.12. Het middel faalt. 9. Beoordeling van het vijftiende middel 9.1. Het middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring onder 1 (hiervoor weergegeven in 7.2.1) wat betreft het opzet ontoereikend is gemotiveerd. 9.2. In de bestreden uitspraak heeft het Hof omtrent dat opzet overwogen: "Door de verdediging is gesteld dat verdachte het bedrijf heeft overgenomen waar hij als werknemer werkzaam was en dat hem bij de overname door de vorige eigenaar is medegedeeld dat SE Fireworks aan alle vergunningsvoorschriften voldeed. Hierdoor was verdachte in de veronderstelling dat het bedrijf voldeed aan de vergunningsvoorschriften. In deze opvatting zou verdachte zijn gesterkt doordat er tijdens controles in de periode dat verdachte vennoot van SE Fireworks was slechts op ondergeschikte punten aanmerkingen zijn gemaakt waarna er onmiddellijk verbeteringen zijn aangebracht. Verdachte geeft aan deze vergunningen deels niet te hebben gelezen. Hiermee stelt de verdediging impliciet de vraag aan de orde of bewezen is dat verdachte opzettelijk de voorschriften heeft overtreden die zijn gesteld in de vergunningen verleend krachtens de Wet milieubeheer. SE Fireworks beschikte over een tweetal vergunningen verleend krachtens de Wet milieubeheer. Vaststaat dat verdachte hiervan op de hoogte was en wist dat in deze vergunningen tal van voorschriften op uiteenlopende gebieden werden gesteld ten aanzien van de bedrijfsvoering en dat deze voorschriften deels betrekking hadden op de veiligheid binnen het bedrijf. Voorts is uit het onderzoek gebleken dat verdachte op de hoogte was van een deel van de geldende voorschriften. Verder heeft verdachte in verband met de uitbreiding van het bedrijf in 1999 een wijziging van de vergunningsvoorschriften aangevraagd. Nu verdachte, als ondernemer van een vuurwerkbedrijf, wetende dat aan de uitoefening van zijn bedrijf door de overheid tal van (veiligheids)voorschriften zijn gesteld, en hij zich bewust niet volledig op de hoogte heeft gesteld van de inhoud van deze vergunningsvoorschriften, heeft hij zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij één of meerdere van deze vergunningvoorschriften zou overtreden." 9.3. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat 's Hofs overweging dat de "verdachte in verband met de uitbreiding van het bedrijf in 1999 een wijziging van de vergunningsvoorschriften [had] aangevraagd" strijdig is met de als bewijsmiddel 1 in de aanvulling op het verkorte arrest opgenomen verklaring van de verdachte, voorzover inhoudende: "In 1999 was [medeverdachte] bezig met een aanvraag voor een nieuwe vergunning in het kader van de Wet milieubeheer. (...) Ik heb me niet bemoeid met de aanvraag voor de milieuvergunning voor SE Fireworks." 9.4. Door een kennelijke misslag heeft het Hof in de bedoelde passage van zijn overwegingen "verdachte" opgenomen in plaats van "medeverdachte", te weten [medeverdachte], de medevennoot en mededirecteur van SE Fireworks. De Hoge Raad leest deze passage aldus verbeterd, zodat de feitelijke grondslag aan het middel is komen te ontvallen. 9.5. Het middel kan niet tot cassatie leiden. 10. Beoordeling van het zestiende middel 10.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte, althans op ontoereikende gronden het verweer heeft verworpen dat ingevolge art. 20.8 Wet milieubeheer door het ontbreken van een bouwvergunning de vergunningsvoorschriften ten aanzien van de zeecontainers niet in werking zijn getreden. 10.2. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen: "De verdediging heeft betoogd dat door het ontbreken van een bouwvergunning de vergunningsvoorschriften ten aanzien van de zeecontainers in gevolge het bepaalde in artikel 20.8 Wet milieubeheer niet in werking zijn getreden. Het verweer komt in feite hierop neer dat wie van een verleende milieuvergunning gebruik maakt voordat deze in werking is getreden, niet gehouden zou zijn de daaraan verbonden voorschriften na te leven. Daarmee verenigt het hof zich niet. In een dergelijk geval is in het algemeen gesproken die vergunning wellicht nog niet in werking getreden, maar is zij wel verleend en wie van een verleende milieuvergunning, hoewel nog niet in werking getreden, gebruik maakt, zal - mede gelet op de verbodsbepaling als vervat in artikel 18.18 Wm - ook de daaraan verbonden voorschriften tegen zich moeten laten gelden. Maar, al ware het anders, het hof is in de onderhavige zaak in elk geval van oordeel dat de onderhavige milieuvergunning wel degelijk in werking was getreden. Weliswaar was voor de voorgenomen wijzigingen een bouwvergunning nodig, maar niemand is zich daarvan bewust geweest; integendeel: uit een aantekening op de vergunningaanvraag blijkt, dat de gemeente zich expliciet op het standpunt heeft gesteld, dat een bouwvergunning niet vereist was, een standpunt dat overeenstemde met verdachtes opvatting in deze. De bouwvergunning is dan ook nooit aangevraagd en de overheid heeft daar uiteraard ook nooit op aangedrongen. Een redelijke toepassing van de wet brengt dan met zich dat de verleende milieuvergunning van kracht is geworden en ook feitelijk vigeerde ten tijde van de ten laste gelegde feiten. Het hof leest de bepaling van artikel 20.8 Wm aldus dat de daar geregelde uitgestelde inwerkingtreding van de milieuvergunning slechts van toepassing is in de gevallen waarin is onderkend dat de voorgenomen verandering in de zin van de Wet milieubeheer tevens is aan te merken als bouwen in de zin van de Woningwet. Nu noch SE Fireworks bij de aanvraag noch het College van Burgemeester en Wethouders bij het in behandeling nemen van de aanvraag beseft hebben dat ook een bouwvergunning gevraagd had moeten worden, doet zich niet een geval voor als bedoeld in artikel 8.5 tweede lid Wm. Slotsom is dat dit verweer wordt verworpen." 10.3. Art. 20.8 Wet milieubeheer (Wm) luidt: "In afwijking van artikel 20.3, eerste lid, eerste volzin, treedt een besluit als bedoeld in artikel 20.6, eerste lid, in gevallen als bedoeld in artikel 8.5, tweede lid, - waarin de vergunning betrekking heeft op het oprichten of veranderen van een inrichting, dat tevens is aan te merken als bouwen in de zin van de Woningwet - niet eerder in werking dan nadat de betrokken bouwvergunning is verleend." 10.4. Aan het middel ligt de opvatting ten grondslag dat de regeling van art. 20.8 Wm op de onderhavige situatie van toepassing is. Die opvatting is onjuist. 10.5. Naar de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State bij uitspraak van 12 november 2003 (AB 2004, 33) heeft beslist, is art. 20.8 Wm niet van toepassing op besluiten waarbij een milieuvergunning wordt verleend voor een inrichting, waarvoor in het verleden zonder bouwvergunning is gebouwd, terwijl de aangevraagde activiteiten op zichzelf beschouwd geen bouwvergunningplichtige verandering of uitbreiding van dat gebouw meebrengen. In dat verband is in voormelde uitspraak nog overwogen: "2.4. De Afdeling overweegt dat de in art. 8.5 lid 2 Wm en art. 5.3 Ivb neergelegde regeling ter coördinatie van het indienen van de aanvraag, naar welke regeling in art. 20.8 Wm wordt verwezen, is gericht op de situatie waarin het gaat om het daadwerkelijk, feitelijk oprichten van een inrichting, dat is aan te merken als bouwen in de zin van de Woningwet. Verder blijkt uit de wetsgeschiedenis dat met art. 20.8 Wm wordt beoogd te voorkomen dat een inrichting op grond van de milieuvergunning feitelijk wordt opgericht of uitgebreid/veranderd zonder een daartoe verleende bouwvergunning. In een situatie waarin het bouwwerk al is opgericht - met of zonder bouwvergunning - ziet de milieuvergunning echter op de te verrichten activiteiten binnen de inrichting en kan deze niet worden geacht betrekking te hebben op het oprichten (of veranderen) van het gebouw zelf, waarop de omschrijving van het begrip "bouwen" in de Woningwet ziet. In een bestaand gebouw kan aldus een milieuvergunningplichtige inrichting worden opgericht, zonder dat daarvoor tevens een bouwvergunning is vereist (Kamerstukken II 1989/90, 20 066, nr. 18)." 10.6. Het Hof heeft onder 1 vijfde gedachtestreepje bewezenverklaard, kort gezegd en voorzover hier van belang, dat opzettelijk in strijd met een voorschrift van aan het bedrijf SE Fireworks krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunningen is gehandeld doordat "een of meer" van de op het terrein van de inrichting geplaatste zeecontainers niet waren voorzien van zelfsluitende en/of brandwerende deuren. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft het Hof vastgesteld dat sinds juni 1998 stalen zeecontainers bij het bedrijf SE Fireworks waren geplaatst, waarvoor geen bouwvergunning was verleend, en voorts dat onder meer bij besluit van de gemeente van 19 juli 1999 een vergunning krachtens de Wet milieubeheer was verleend aan SE Fireworks. Het gaat aldus om een situatie waarin de milieuvergunning betrekking heeft op activiteiten binnen de inrichting, terwijl er al zeecontainers waren opgericht, zij het zonder bouwvergunning. Art. 20.8 Wm is - gelet op hetgeen hiervoor is overwogen - in een situatie als de onderhavige niet van toepassing. 10.7. Het voorgaande brengt mee dat 's Hofs oordeel dat de voorschriften van de vergunningen krachtens de Wet milieubeheer ten aanzien van de in de bewezenverklaring bedoelde zeecontainers in werking waren getreden juist is, zodat de motiveringsklacht geen bespreking behoeft. 10.8. Het middel kan daarom niet tot cassatie leiden. 11. Beoordeling van de overige middelen De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 12. Slotsom Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen. 13. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman, W.A.M. van Schendel en J.W. Ilsink, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 1 februari 2005.