1 februari 2005 Strafkamer nr. 01537/04 E AGJ/SM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, Economische Kamer, van 22 december 2003, nummer 21/001594-03, in de strafzaak tegen: [verdachte], gevestigd te [vestigingsplaats].
(1994)van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en de Landbouwwet. Daarmee is het, gelet op artikel 2, eerste lid onder c, van de Destructiewet, in beginsel hoog-risico-materiaal. Ingevolge artikel 2, eerste lid onder b (oud), van de Regeling aanwijzing gespecificeerd hoog-risico-materiaal 2000 dient dergelijk hoog-risico-materiaal aangemerkt te worden als gespecificeerd hoog-risico-materiaal, zoals genoemd in de telastelegging onder 2 subsidiair. Dit zou uitzondering lijden indien zou zijn voldaan aan het bepaalde in artikel 2, vierde lid, van de Destructiewet. Deze uitzondering doet zich op grond van het navolgende niet voor. Verdachte heeft, in strijd met artikel 12 van de Destructiewet en artikel 2 (oud) van de Regeling eisen eigenaar of houder van destructiemateriaal, de aan de orde zijnde partij kipafval zonder verpakking en etikettering bewaard in de vriescel van het bedrijf. Door het ontbreken van een deugdelijke merking en verpakking is de samenstelling van de partij niet vast te stellen. Voor toepassing van de uitzonderingsbepaling van artikel 2, vierde lid, van de Destructiewet, is daarmee geen ruimte, omdat onbekend is of de partij slechts uit poten en/of koppen bestond." 4.
- Uit het samenstel van de in 's Hofs overwegingen weergegeven wettelijke voorschriften volgt dat pluimvee of delen daarvan slechts dan gespecificeerd hoog-risico-materiaal vormt indien het ingevolge de Landbouwwet ongeschikt is verklaard voor menselijke consumptie. In aanmerking genomen dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de onderhavige partij kipafval vóór of op het in de bewezenverklaring genoemde tijdstip (14 mei 2002) ongeschikt was verklaard voor menselijke consumptie, is de bewezenverklaring van feit 2 niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Het vierde middel is derhalve terecht voorgesteld. 4.
- Het zesde middel doet een beroep op het eerste lid onder d en het derde lid van art. 2 Destructiewet luidend: "
- Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder hoog-risico-materiaal dierlijk afval, voor zover het betreft: (...) d. alle delen van een geslacht dier, die niet aan de keuring na het slachten zijn onderworpen, met uitzondering van huiden, vellen, hoeven, veren, wol, hoornen en andere soortgelijke delen; (...)
- Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder laag-risico-materiaal dierlijk afval van de in het eerste lid bedoelde dieren en vis, dat niet ingevolge het eerste lid als hoog-risico-materiaal wordt aangemerkt, met dien verstande dat de ingevolge onderdeel d van dat lid daarvan uitgezonderde produkten slechts als laag-risico-materiaal worden aangemerkt, voor zover deze worden gebruikt bij de vervaardiging van ingrediënten van diervoeder." ten betoge dat het onderhavige kipafval, bestaande uit koppen, poten en maag/darmpakketten en bestemd om te worden gebruikt als ingrediënten van diervoeder, laag-risico-materiaal vormt. Het middel berust op een onjuiste lezing van art. 2, derde lid, Destructiewet, aangezien de daar genoemde exceptie alleen betrekking heeft op de in het eerste lid onder d uitgezonderde producten, te weten huiden, etc. Het zesde middel faalt derhalve.
- Beoordeling van het achtste middel 5.
- Het middel behelst de klacht dat de - hiervoor onder 4.2 weergegeven - bewezenverklaring van feit 4 onvoldoende met redenen is omkleed nu uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat op 26 juni 2002 ten tweede male verandering is aangebracht in de werking van de betreffende inrichting. 5.
- Het middel is gegrond, aangezien de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen niets inhouden omtrent enige hernieuwde opslag van kipafval in de desbetreffende inrichting op 26 juni 2002 waardoor die inrichting of de werking daarvan is veranderd.
- Beoordeling van het tweede, het derde en het zevende middel De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
- Slotsom Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat het vijfde middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.
- Beslissing De Hoge Raad: Vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 2 en 4 tenlastegelegde en de oplegging van straf en maatregel; Wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Arnhem, Economische Kamer, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan; Verwerpt het beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend-griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 1 feburari 2005.