3 juni 2005 Eerste Kamer Rek.nr. R04/010HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [De vrouw], wonende te [woonplaats], VERZOEKSTER tot cassatie, advocaat: mr. P. Garretsen, t e g e n 1. [De man], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. R.F. Thunnissen, 2. [De notaris], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. M.H. van der Woude. 1. Het geding in feitelijke instanties Met een op 14 augustus 2000 ter griffie van de rechtbank te Almelo ingekomen verzoekschrift heeft verweerder in cassatie sub 1 - verder te noemen: de man - zich gewend tot die rechtbank en verzocht echtscheiding tussen hem en verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - uit te spreken en - voor zover in cassatie nog van belang - partijen te bevelen tot scheiding en deling van de tussen hen bestaande gemeenschap van vruchten en inkomsten over te gaan. De vrouw heeft tegen deze verzoeken geen verweer gevoerd. De rechtbank heeft bij beschikking van 28 maart 2001 echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Voorts heeft zij hen bevolen om, zodra de echtscheiding van kracht is geworden met elkaar over te gaan tot verdeling van de gemeenschap waarin zij zijn gehuwd, verweerder in cassatie sub 2 tot notaris benoemd voor wie de werkzaamheden van die verdeling zullen plaatsvinden, en onder meer mr. M.D. Ubbink, advocaat en procureur te Enschede, tot onzijdig persoon als bedoeld in art. 3:181 lid 1 BW benoemd om de vrouw te vertegenwoordigen zo deze in gebreke mocht blijven op de door de benoemde notaris voor de verdeling bepaalde tijd en plaats te verschijnen of mocht weigeren aan de verdeling mee te werken. De notaris heeft mr. Ubbink op 2 augustus 2002 (per fax) gevraagd om als onzijdig persoon op te treden wegens het ontbreken van medewerking aan de scheiding en deling van de kant van de vrouw. Mr. Ubbink heeft in december 2002 na veelvuldig overleg met (de advocaten van) de vrouw met de man overeenstemming over de verdeling bereikt. Van de omtrent de verdeling gemaakte afspraken is vervolgens een conceptakte opgemaakt, waarop de notaris de sector Kanton van de rechtbank te Almelo, locatie Enschede, om goedkeuring op de voet van art. 3:183 lid 2 BW heeft verzocht. Bij beschikking van 24 januari 2003 heeft de kantonrechter die goedkeuring verleend. Tegen de beschikking van 24 januari 2003 van de kantonrechter heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem met aanwijzing van de man en de notaris als haar wederpartijen. Bij beschikking van 28 oktober 2003 heeft het hof voormelde beschikking van de kantonrechter bekrachtigd en de vrouw veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van de notaris en de proceskosten tussen de echtelieden gecompenseerd. De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. De man heeft een verweerschrift ingediend. De notaris heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. Het cassatierekest, het verweerschrift van de man en het verweerschrift van de notaris tevens houdende het incidenteel beroep zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit. De man heeft verzocht het beroep te verwerpen. De notaris heeft verzocht de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar beroep, althans het beroep te verwerpen. De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking op het incidentele cassatieberoep en tot niet-ontvankelijkverklaring van de vrouw in haar appel tegen de notaris met veroordeling van de vrouw in de aan de zijde van de notaris gevallen kosten, en tot verwerping van het principale cassatieberoep, met de gebruikelijke kostencompensatie. De advocaat van de vrouw heeft bij brief van 25 februari 2005 op die conclusie gereageerd. 3. Uitgangspunten in cassatie 3.1 Het gaat in cassatie om het volgende. (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.