20 mei 2005 Eerste Kamer Rek.nr. R04/042HR (OK 111) JMH Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: 1. DE DEPARTEMENTALE ONDERNEMINGSRAAD VAN HET MINISTERIE VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID, gevestigd te 's-Gravenhage, 2. DE GROEPSONDERNEMINGSRAAD VAN HET MINISTERIE VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER, gevestigd te 's-Gravenhage, 3. DE DEPARTEMENTALE ONDERNEMINGSRAAD VAN HET MINISTERIE VAN VERKEER EN WATERSTAAT, gevestigd te 's-Gravenhage, 4. DE DEPARTEMENTALE ONDERNEMINGSRAAD VAN HET MINISTERIE VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAPPEN, gevestigd te Zoetermeer, 5. DE DEPARTEMENTALE ONDERNEMINGSRAAD VAN HET MINISTERIE VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT, gevestigd te 's-Gravenhage, 6. DE DEPARTEMENTALE ONDERNEMINGSRAAD VAN HET MINISTERIE VAN FINANCIËN, gevestigd te 's-Gravenhage, 7. DE CONCERN ONDERNEMINGSRAAD VAN DE BELASTINGDIENST, gevestigd te 's-Gravenhage, VERZOEKERS tot cassatie, incidenteel verweerders, advocaat: mr. R.A.A. Duk, t e g e n DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Ministerie van Financiën, de Belastingdienst), gevestigd te 's-Gravenhage, VERWEERDER in cassatie, incidenteel verzoeker, advocaat: mr. J.W.H. van Wijk. 1. Het geding in feitelijke instanties Verzoekers tot cassatie - verder in enkelvoud te noemen: de DOR - hebben bij een op 28 juli 2003 ter griffie van het gerechtshof te Amsterdam ingekomen verzoekschrift (elk voor zich) de ondernemingskamer aldaar verzocht bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat verweerder in cassatie - verder te noemen: de Staat - bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot het besluit van 4 juli 2003 tot het oprichten van het "Shared Service Center HRM voor Personeelsregistratie en Salarisadministratie" (hierna te noemen: SSC HRM P&S) en de overdracht van taken van de betrokken ministeries en de Belastingdienst op het terrein van de personeelsregistratie en de salarisadministratie aan SSC HRM P&S en gehouden is het besluit in zijn geheel in te trekken en alle gevolgen van het besluit ongedaan te maken. De Staat heeft het verzoek bestreden. De ondernemingskamer heeft na een mondelinge behandeling ter openbare terechtzitting van 2 oktober 2003 bij beschikking van 29 december 2003 het verzoek van de DOR afgewezen. De beschikking van de ondernemingskamer is aan deze beschikking gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen de beschikking van de ondernemingskamer heeft de DOR beroep in cassatie ingesteld. De Staat heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. Het cassatierekest en het verweerschrift tevens houdende het incidenteel beroep zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit. Partijen hebben over en weer verzocht het beroep te verwerpen. De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het principale en incidentele beroep. De advocaat van de Staat heeft bij brief van 17 februari 2005 op deze conclusie gereageerd. 3. Uitgangspunten in cassatie 3.1 Voor de feiten waarvan in cassatie kan worden uitgegaan, verwijst de Hoge Raad naar rov. 2 van de beschikking van de ondernemingskamer. Wat betreft het verloop van de procedure verwijst de Hoge Raad naar het hiervoor onder 1 overwogene. 3.2 Deze procedure heeft, voorzover in cassatie relevant, betrekking op de reikwijdte van de uitzondering van art. 46d, aanhef en onder b, WOR, het zogeheten primaat van de politiek. De DOR heeft gesteld dat het onderhavige besluit, te weten het op 4 juli 2003 door het kabinet genomen besluit tot oprichting van SSC HRM P&S (Shared Service Center Human Resource Management Personeelsregistratie en Salarisadministratie), niet kan worden begrepen onder de uitzondering van art. 46d, aanhef en onder b, WOR omdat het besluit een zuiver intern-organisatorische aangelegenheid betreft en niet ziet op - de vaststelling van - een publiekrechtelijke taak noch op het beleid of de uitvoering van zo een taak. Volgens de Staat is wel sprake van de in deze bepaling voorziene uitzonderingssituatie. De Staat heeft daartoe primair aangevoerd dat uit de tekst en de strekking van deze bepaling volgt dat de aard van de materie waarop het besluit ziet niet van belang is. Volgens hem is enkel van belang of het gaat om een besluit van een democratisch gecontroleerd orgaan, waarvan volgens hem in het onderhavige geval sprake is. De Staat heeft subsidiair betoogd dat het onderhavige besluit wel degelijk betrekking heeft op een publiekrechtelijke taak, althans op het beleid ter zake van een dergelijke taak. 3.3 De ondernemingskamer heeft in rov. 3.3 geoordeeld dat het primaire standpunt van de Staat niet opgaat. Indien een besluit geen betrekking heeft op - de vaststelling van - een publiekrechtelijke taak, noch op het beleid ten aanzien van of de uitvoering van een zodanige taak, kan de (overheids)ondernemer zich niet met vrucht beroepen op het primaat van de politiek. Dat betekent derhalve, aldus de ondernemingskamer, dat de aard van de materie waarop enig besluit ziet van belang is voor de beantwoording van de vraag of deze uitzondering zich al dan niet voordoet. In rov. 3.4 heeft de ondernemingskamer geoordeeld dat het subsidiaire betoog van de Staat wel doel treft nu het op 4 juli 2003 door het kabinet genomen besluit strekt tot de publiekrechtelijke vaststelling van de taken van de betrokken ministeries, en in rov. 3.5 ten slotte dat zich hier niet de situatie voordoet als bedoeld in het laatste zinsdeel van art. 46d, aanhef en onder b, WOR dat bepaalt dat een ondernemingsraad ondanks het zich voordoen van de meergenoemde uitzondering adviesrecht heeft voorzover het gaat om de gevolgen voor de werkzaamheden van de in de onderneming werkzame personen. 4. Beoordeling van het middel in het incidentele beroep 4.1 Het middel is tegen rov. 3.3 gericht en strekt ten betoge dat met "de publiekrechtelijke vaststelling van taken van publiekrechtelijke lichamen" of "het beleid ten aanzien van en de uitvoering van die taken" (art. 46d onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.