3 juni 2005 Eerste Kamer Rek.nr. R04/075HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [De man], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. E. van Staden ten Brink, t e g e n [De vrouw], wonende te [woonplaats], VERWEERSTER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties Met een op 23 oktober 2002 ter griffie van de rechtbank te Rotterdam ingekomen verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie - verder te noemen: de man - zich gewend tot die rechtbank en verzocht de beschikking van de rechtbank te 's-Gravenhage van 9 oktober 2000 in die zin te wijzigen dat de daarbij bepaalde uitkering tot levensonderhoud van verweerster in cassatie - verder te noemen: de vrouw - met ingang van 1 mei 2002 wordt gesteld op € 2.575,-- bruto per maand, althans op een zodanig bedrag en met ingang van zodanige datum als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren. De vrouw heeft het verzoek van de man bestreden. De rechtbank heeft bij beschikking van 10 april 2003 de beschikking van de rechtbank te Rotterdam (lees: 's-Gravenhage) van 9 oktober 2000 in die zin gewijzigd dat de daarbij aan de man opgelegde uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking wordt bepaald op € 3.000,-- per maand, verstaan dat genoemde uitkering jaarlijks, voor het eerst met ingang van 1 januari van het nieuwe jaar, wordt gewijzigd ingevolge de wettelijk vastgestelde indexering, en het meer of anders verzochte afgewezen. Tegen deze beschikking heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. De man heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld. Bij beschikking van 10 maart 2004 heeft het hof in het principale en in het incidentele hoger beroep de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigd en, in zoverre opnieuw beschikkende, met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 9 oktober 2000 van de rechtbank te 's-Gravenhage en het overeengekomene in het echtscheidingsconvenant de door de man aan de vrouw te betalen alimentatie met ingang van 10 april 2003 op € 4.000,-- per maand bepaald, welke alimentatie jaarlijks conform de wettelijke indexatie wordt verhoogd, voor het eerst op 1 januari 2004, deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en het meer of anders verzochte afgewezen. De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De vrouw is in cassatie niet verschenen. De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het beroep. De advocaat van de man heeft op 18 februari 2005 schriftelijk op die conclusie gereageerd. 3. Beoordeling van het middel 3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.