← Nederland

ECLI:NL:HR:2005:AT1819

5 april 2005 Strafkamer nr. 03021/04 U LR/SM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te Breda van 8 september 2004, nummer RK 04/937, op een verzoek van de Republiek Turkije tot uitlevering van: [de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1960, wonende te [geboorteplaats].

  1. De bestreden uitspraak De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon ter strafvervolging in de Republiek Turkije toelaatbaar verklaard voor de handel in verdovende middelen in vereniging met anderen en ontoelaatbaar verklaard voor de productie van verdovende middelen.
  2. Geding in cassatie Het beroep, dat kennelijk niet is gericht tegen de partiële ontoelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering, is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft mr. F.J. Koningsveld, advocaat te Breda, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De waarnemend Advocaat-Generaal Keijzer heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen en de verzochte uitlevering ontoelaatbaar zal verklaren.
  3. Beoordeling van de middelen De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
  4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak Blijkens de door de verzoekende Staat overgelegde stukken wordt, voorzover thans nog van belang, de uitlevering van de opgeëiste persoon verzocht teneinde hem te kunnen vervolgen ter zake van - kort gezegd - zijn betrokkenheid bij de invoer en/of handel in ecstasy-pillen. Weliswaar houden de toegezonden stukken in dat de inbeslaggenomen pillen in het forensisch laboratorium van Antalya zijn onderzocht - van welk onderzoek onder no 2003/401 op 23 november 2003 een rapport is opgemaakt - doch dat rapport bevindt zich niet bij de stukken en evenmin is in het uitleveringsverzoek of de bijlagen daarvan vermeld tot welk resultaat bedoeld onderzoek heeft geleid. Gelet daarop blijkt niet welke de samenstelling was van de stof die in de stukken met ecstasy/extasie/XTC is aangeduid. Dat brengt mee dat thans niet kan worden vastgesteld dat de jegens de opgeëiste persoon gerezen verdenking betrekking heeft op handelingen ten aanzien van een stof of stoffen waarop de Opiumwet van toepassing is en dus evenmin of die handelingen naar Nederlands recht strafbaar zijn.
  5. Slotsom Hetgeen hiervoor onder 4 is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en dat als volgt moet worden beslist.
  6. Beslissing De Hoge Raad: Vernietigt de bestreden uitspraak; Beveelt dat de opgeëiste persoon zal worden opgeroepen te verschijnen ter zitting van de Hoge Raad van 17 mei 2005 te 12.00 uur om te worden gehoord omtrent het verzoek tot zijn uitlevering. Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 5 april 2005.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.