12 augustus 2005 Eerste Kamer Nr. C04/138HR RM/JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: MEKO HOLLAND B.V., gevestigd te Assen, EISERES tot cassatie, advocaat: mr. G.C. Makkink, t e g e n [Verweerder], wonende te [woonplaats], Bondsrepubliek Duitsland, VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. M. Ynzonides. 1. Het geding in feitelijke instanties Verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - heeft bij exploot van 14 augustus 1997 eiseres tot cassatie - verder te noemen: Meko - op verkorte termijn gedagvaard voor de rechtbank te Assen en gevorderd Meko te veroordelen tot betaling van een bedrag van ƒ 307.032,03 aan [verweerder], te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 oktober 1995 tot aan de dag der algehele voldoening. Meko heeft de vordering bestreden. De rechtbank heeft bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 20 januari 1998 Meko veroordeeld tot betaling van ƒ 302.965,33 aan [verweerder], te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen vanaf 9 oktober 1995 tot en met de dag der algehele voldoening. Tegen dit vonnis heeft Meko hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Leeuwarden. [Verweerder] heeft bij memorie van antwoord, tevens akte houdende vermeerdering van eis geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis, voor zoveel nodig met aanvulling en verbetering van gronden, en daarenboven tot veroordeling van Meko tot vergoeding van verdere schade op te maken bij staat. Bij tussenarrest van 23 december 1998 heeft het hof het door Meko tegen voormelde vermeerdering van eis ingesteld verzet ongegrond verklaard. Hierna heeft het hof bij tussenarrest van 29 september 1999 partijen in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten omtrent de in het arrest opgeworpen vraagpunten. Nadat partijen een akte hadden genomen heeft het hof bij tussenarrest van 12 juli 2000 drie deskundigen benoemd en de door de deskundigen te beantwoorden vragen geformuleerd. Op 19 juni 2001 hebben de deskundigen hun rapport uitgebracht. Partijen hebben naar aanleiding van dit rapport een memorie na deskundigenbericht genomen, waarna [verweerder] nog een akte heeft genomen. [Verweerder] heeft ter gelegenheid van pleidooi op 20 maart 2002 zijn eis vermeerderd met een bedrag van € 8.857,--, zulks in verband met kosten voor het opmaken van een rapport door [betrokkene 1]. Na een tussenarrest van 10 juli 2002, waarbij Meko in de gelegenheid is gesteld zich uit te laten over de inhoud van het rapport van [betrokkene 1], heeft het hof bij tussenarrest van 9 april 2003 Meko in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de wijze waarop zij tegenbewijs zou kunnen leveren, anders dan door het houden van getuigenverhoren. Nadat beide partijen een akte hadden genomen, heeft het hof bij eindarrest van 10 december 2003 het vonnis van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende: 1. Meko veroordeeld aan [verweerder] te voldoen een bedrag van € 146.336,66 te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen vanaf 9 oktober 1995 tot en met de dag der algehele voldoening; 2. Meko veroordeeld tot vergoeding van de verdere schade van [verweerder] op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 oktober 1995 tot en met de dag der algehele voldoening. De arresten van het hof van 29 september 1999, 12 juli 2000, 10 juli 2002, 9 april 2003 en 10 december 2003 zijn aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen voornoemde arresten van het hof heeft Meko beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. [Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [verweerder] mede door mr. R.L.M. van Opstal, advocaat bij de Hoge Raad. De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot: - niet-ontvankelijkverklaring van Meko voor zover het beroep is gericht tegen 's hofs tussenarresten van 12 juli 2000 en 10 juli 2002; - verwerping van het beroep voor zover het is gericht tegen 's hofs tussenarrest van 29 september 1999; - vernietiging van 's hofs arresten van 9 april 2003 en 10 december 2003; - verwijzing naar een ander hof ter verdere afdoening. De advocaat van [verweerder] heeft bij brief van 8 april 2005 op deze conclusie gereageerd. 3. Beoordeling van het middel 3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.2 - 2.14. 3.2 Aan zijn hiervoor in 1 omschreven vordering heeft [verweerder] ten grondslag gelegd dat Meko jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld door hem te adviseren (eventueel dagelijks) Neoseptal STD te gebruiken in een verdunning van 2:100 ter bestrijding van een klauwaandoening van zijn koeien, en dat hij dientengevolge schade heeft geleden. Meko heeft ontkend aansprakelijk te zijn voor de schade. Zij heeft onder meer betwist dat de schade door Neoseptal STD zou kunnen zijn veroorzaakt. Een aantal koeien van [verweerder] vertoonde, aldus Meko, vóór het gebruik van Neoseptal STD al problemen met de klauwen, en melkvermindering en kwaliteitsverlies kunnen door allerlei oorzaken optreden. Meko heeft zich ook beroepen op eigen schuld van [verweerder]: hij wist, althans had kunnen weten, door bestudering van het etiket dat Neoseptal STD niet in direct contact met dieren mocht worden gebracht. De rechtbank heeft de vordering van [verweerder] grotendeels toegewezen. Het hof heeft de tegen het vonnis van de rechtbank aangevoerde grieven ongegrond bevonden, maar het heeft ter wille van de duidelijkheid het vonnis vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vordering van [verweerder], zoals in hoger beroep vermeerderd, toegewezen. 3.3 Het middel behelst geen klachten tegen de arresten van 12 juli 2000 en 10 juli 2002. In zoverre is Meko niet-ontvankelijk in haar cassatieberoep. 3.4.1 De onderdelen 2.2-2.6 richten zich tegen rov. 10 van het arrest van 29 september 1999 en rov. 12 van het arrest van 10 december 2003, waarin het hof grief II van Meko ongegrond heeft bevonden. Met deze grief bestreed Meko het oordeel van de rechtbank dat [betrokkene 2] in zijn telefoongesprek(ken) met [verweerder] niet had mogen volstaan met onder andere een bevestiging van het in strijd met het Ministerieel besluit beweerdelijk gebruik van Neoseptal STD in voetbaden voor koeien, maar had moeten waarschuwen dat door een dergelijk gebruik een risico voor het ontstaan van schade in het leven wordt geroepen. 3.4.2 Onderdeel 2.2 klaagt dat het hof heeft miskend dat alleen in het licht van de omstandigheden van het gegeven geval kan worden beoordeeld in hoeverre op Meko jegens [verweerder] de verplichting rustte te waarschuwen voor het risico op schade door gebruik van het middel. Zou het hof dit niet hebben miskend, dan heeft het hof, aldus onderdeel 2.3, onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang. Deze onderdelen zijn tevergeefs voorgesteld. De rechtbank heeft, in hoger beroep niet bestreden, overwogen dat Meko heeft geadviseerd Neoseptal STD te gebruiken voor voetbaden voor koeien, althans heeft bevestigd dat Neoseptal STD daarvoor wordt gebruikt (rov. 7.1), en dat [betrokkene 2] op 16 oktober 1995 zijn eerdere advies heeft herhaald (rov. 2.9). Kennelijk heeft het hof geoordeeld dat een afnemer als [verweerder] allicht zal afgaan op een dergelijk door een professionele leverancier gegeven advies, ook indien dit advies in strijd was met de van overheidswege vastgestelde gebruiksvoorschriften die mede ertoe strekken schadelijke gevolgen voor onder andere dieren te voorkomen, en dat het advies daarom onzorgvuldig en dus onrechtmatig was. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Het behoefde in het licht van het debat in feitelijke aanleg geen nadere motivering, ook niet naar aanleiding van de in het onderdeel weergegeven stellingen van Meko, die alle betrekking hebben op aan de zijde van [verweerder] bestaande omstandigheden die weliswaar van betekenis kunnen zijn in verband met de vraag of [verweerder] eigen schuld kan worden verweten, maar niet behoeven af te doen aan het oordeel dat Meko door het geven van dit advies onrechtmatig heeft gehandeld. 3.4.3 Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat het hof, ook al heeft het dit niet met zoveel woorden tot uitdrukking gebracht, een eigen oordeel heeft gegeven omtrent de onrechtmatigheid van het handelen van Meko, en niet heeft volstaan met een verwijzing naar het oordeel van de rechtbank dienaangaande. Onderdeel 2.4 mist derhalve feitelijke grondslag, zodat het niet tot cassatie kan leiden. Voor zover onderdeel 2.5 voortbouwt op onderdeel 2.4, moet het het lot daarvan delen. 3.4.4 Voor het overige klaagt onderdeel 2.5, evenals onderdeel 2.6, over onverenigbaarheid van rov. 9 van het arrest van 10 december 2003 met rov. 8 van het arrest van 29 september 1999. Deze klachten missen feitelijke grondslag en kunnen dus niet tot cassatie leiden. Zoals mede kan worden afgeleid uit het door het hof gebruikte woord "(Opnieuw)" heeft het hof in eerstgenoemde overweging kennelijk tot uitdrukking gebracht dat de grieven II-VII van Meko niet alleen betrekking hadden op de onrechtmatigheid van haar handelen, maar tevens op het causale verband tussen dat handelen en de bij de koeien van [verweerder] geconstateerde verschijnselen. Dit is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat de onrechtmatigheid van het handelen van Meko hierin bestond dat haar werknemer [betrokkene 2] een gebruik van Neoseptal STD heeft aanbevolen in strijd met gebruiksvoorschriften die mede strekken ter voorkoming van schadelijke gevolgen voor onder meer dieren en heeft nagelaten voor het mogelijk intreden van die gevolgen te waarschuwen. 3.5 In rov. 24 van zijn arrest van 10 december 2003 heeft het hof veronderstellenderwijs tot uitgangspunt genomen dat Meko haar beroep op eigen schuld aan de zijde van [verweerder] in appel heeft gehandhaafd. Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat, mede gezien hetgeen eerder in dit arrest is overwogen, Meko onvoldoende feitelijke onderbouwing van dit beroep heeft gegeven. Onderdeel 3.1 bestrijdt dit oordeel en verwijst daartoe naar de door Meko aangevoerde stellingen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.