7 juni 2005 Strafkamer nr. 01669/04 PB/SM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 9 juni 2000, nummer 21/000434-00, in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Arnhem van 1 december 1999 - de verdachte ter zake van 1. "opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod", 2. en 3. telkens opleverende "overtreding van artikel 9, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier weken. 2. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Middelen van cassatie zijn door of namens deze niet voorgesteld. De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot niet-ontvankelijkverklaring van de Officier van Justitie in de vervolging. 3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak 3.1. De verdachte heeft op 21 augustus 2000 beroep in cassatie ingesteld. Bij de stukken van het geding bevindt zich een afschrift van een brief van het Gerechtshof te Arnhem, sector strafzaken, van 10 juni 2004 welke inhoudt: "Door een verzuim aan de kant van het Gerechtshof zijn gedurende een aanzienlijke periode vier strafdossiers, waarin de justitiabele tijdig beroep in cassatie had ingesteld, blijven liggen. Het Gerechtshof betreurt dit ten zeerste." Een van deze strafdossiers betreft de zaak tegen de verdachte. 3.2. Blijkens een op de inventaris van de stukken geplaatst stempel zijn deze op 22 juni 2004 op de griffie van de Hoge Raad binnengekomen. In aanmerking genomen dat: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.