ECLI:NL:HR:2005:AT7587
1 november 2005 Strafkamer nr. 02994/04 IV/DAT Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 6 mei 2004, nummer 23/002872-01, in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1929, wonende te [woonplaats] (België).
De aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3.2. Het ingevolge art. 338 Sr te dezen toepasselijke art. 316, eerste lid, Sr luidt als volgt: "Indien de dader van of medeplichtige aan een der in deze titel omschreven misdrijven de niet van tafel en bed of van goederen gescheiden echtgenoot is van hem tegen wie het misdrijf is gepleegd, is de strafvervolging tegen die dader of die medeplichtige uitgesloten."
Art. 90octies Sr, ingevoegd bij Wet van 17 december 1997, Stb. 660 in verband met de invoering van het geregistreerd partnerschap luidt als volgt: "Waar van huwelijk of echtgenoot wordt gesproken wordt, met uitzondering van artikel 449, daaronder mede begrepen geregistreerd partnerschap dan wel geregistreerde partner."
3.3. Anders dan het middel voorstaat noopt art. 14 EVRM op zichzelf beschouwd niet tot analoge toepassing van art. 316, eerste lid, Sr op een ander samenlevingsverband dan dat van partners als in vorengenoemde bepalingen bedoeld.
3.4. Voorzover het middel beoogt een beroep te doen op het verbod van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen, zoals vervat in art. 26 IVBPR, faalt het eveneens. Zo in dit geval al gesproken zou kunnen worden van gelijke gevallen en van een ongelijke behandeling daarvan, bestaat voor die ongelijke behandeling een redelijke en objectieve rechtvaardiging, in aanmerking genomen dat de vervolgingsuitsluitingsgrond van art. 316, eerste lid, Sr in verbinding met art. 90octies Sr een uitzondering is op de vervolgingsvrijheid van het openbaar ministerie, terwijl met de wettelijke regeling aan de uitzondering een duidelijke en werkbare begrenzing is gegeven, waarmee de rechtszekerheid is gediend.
4.2. Ten laste van de verdachte heeft het Hof bewezen verklaard dat: "zij op verschillende tijdstippen in de periode van 16 februari 1995 tot en met 31 mei 1998 te Utrecht en elders in Nederland en te Brasschaat, telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen telkens door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een (of meer) listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [betrokkene 1] heeft bewogen tot de afgifte van geld en tot het aangaan van een schuld en tot het teniet doen van een inschuld, hieronder nader te noemen, hebbende verdachte toen aldaar telkens met vorenomschreven oogmerk -zakelijk weergegeven- opzettelijk valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid die [betrokkene 1] laten weten dat zij met hem wilde trouwen en huisvesting nodig had en niet (in voldoende mate) in haar levensonderhoud kon voorzien en behoefte had aan financiële zekerheid, en heeft zij veelvuldig/langdurig met [betrokkene 1] verkeerd en omgang met hem gehad en zich in de omgeving van [betrokkene 1] (tegenover diens familie en/of vrienden) gepresenteerd als diens partner en toekomstige echtgenote, waardoor genoemde [betrokkene 1] telkens werd bewogen tot nader te noemen afgifte of het aangaan van nader te noemen schuld of het teniet doen van nader te noemen inschuld, te weten:
4.3. De gebezigde bewijsmiddelen houden niets in waaruit kan worden afgeleid dat, zoals is bewezen verklaard, de verdachte aan [betrokkene 1] heeft laten weten dat zij huisvesting nodig had en (niet in voldoende mate) in haar levensonderhoud kon voorzien. In dit opzicht is de bewezenverklaring ontoereikend gemotiveerd.
Ook overigens schiet de bewijsvoering tekort. Uit de gebezigde bewijsmiddelen - die inhouden dat de verdachte met [betrokkene 1] een langdurige en intieme relatie heeft gehad die dateert van ver voor de bewezenverklaarde periode - kan niet zonder meer volgen dat, zoals is bewezen verklaard, de verdachte valselijk en listiglijk en bedrieglijk heeft gehandeld. Meer in het bijzonder bieden de gebezigde bewijsmiddelen onvoldoende steun voor 's Hofs in de bewezenverklaring besloten liggende oordeel dat de verdachte de omstandigheid dat zij met [betrokkene 1] wilde trouwen heeft voorgewend.
4.4. De middelen zijn terecht voorgesteld.
Vernietigt de bestreden uitspraak;
Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, B.C. de Savornin Lohman, J. de Hullu en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 1 november 2005.