13 september 2005 Strafkamer nr. 02275/04 AGJ/ABG Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 23 februari 2004, nummer 22/002602-03, in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage van 24 juli 2002 - de verdachte ter zake van 1. en 2. "overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd" en 3. "als bestuurder van een motorrijtuig daarmede rijden op een weg zonder dat er voor dat motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen is gesloten en in stand gehouden" veroordeeld ten aanzien van feit 1 en 2 tot zes weken gevangenisstraf en ten aanzien van feit 3 tot het betalen van een geldboete van € 250,-, subsidiair vijf dagen hechtenis. 2. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Biemond, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de verdachte in het beroep tegen de bestreden uitspraak voor wat betreft de veroordeling ter zake van de overtreding onder 3 niet-ontvankelijk wordt verklaard en het beroep voor het overige wordt verworpen. 3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep 3.1. Het bestreden arrest heeft voor wat betreft feit 3 betrekking op een overtreding (art. 30, vierde lid, WAM). Het Hof heeft ter zake van dat feit een geldboete van € 250,- subsidiair vijf dagen hechtenis opgelegd. Ingevolge art. 427 Sv staat tegen arresten van gerechtshoven betreffende overtredingen beroep in cassatie niet open indien (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.