ECLI:NL:HR:2005:AU2239
1 november 2005 Strafkamer nr. 03377/04 IV/AM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem van 29 juni 2004, nummer 21/000879-04, in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985, ten tijde van de betekening van de aanzegging uit anderen hoofde gedetineerd in het Huis van Bewaring, Penitentiaire Inrichting Arnhem.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
4.2. De bestreden uitspraak houdt, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in: "Voorts heeft de raadsman nog betoogd, dat de leden 2 (de HR leest: 3) en 4 van artikel 151a van het Wetboek van Strafrecht zijn geschonden nu aan verdachte geen mededeling zou zijn gedaan van de uitslag van het DNA-onderzoek en hij niet zou zijn gewezen op de mogelijkheid een tegenonderzoek te laten verrichten. Blijkens het proces-verbaal van 23 april 2002 van R.P. Moolenaar, hoofdagent van de regiopolitie Gelderland Zuid, en W.M. van Sligtenhorst, brigadier van de regiopolitie te Utrecht zijn aan verdachte op 23 april 2003 de bevindingen van het DNA-onderzoek medegedeeld c.q. is hem voorgehouden dat bij een drietal inbraken in Woerden bloed en/of speeksel is aangetroffen, waarvan een DNA-profiel is opgemaakt en waarvan is vast komen te staan dat dat DNA-profiel afkomstig is van verdachte. De verdachte heeft zich vervolgens beroepen op zijn zwijgrecht. Bij het doorlezen van het proces-verbaal heeft de verdachte verklaard het proces-verbaal niet te willen ondertekenen. Uit de stukken blijkt niet dat de verdachte is gewezen op de mogelijkheid om een tegenonderzoek in te laten stellen. Hierdoor is de verdachte echter niet onevenredig in zijn belangen geschaad, omdat hij, terwijl hij steeds was voorzien van rechtsbijstand, in het verdere verloop van de vervolgingsprocedure inclusief de behandeling van zijn strafzaak in eerste aanleg en in hoger beroep, niet om een dergelijk tegenonderzoek heeft gevraagd.
Het hof ziet dan ook geen aanleiding om bewijsuitsluiting dan wel strafvermindering als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering toe te passen."
4.3. Art. 151a Sv luidt, voorzover hier van belang: "3. De officier van justitie geeft, ingeval het onderzoek heeft plaatsgevonden aan afgenomen celmateriaal, de onderzochte persoon zo spoedig mogelijk schriftelijk kennis van de uitslag van het onderzoek. Indien het onderzoek heeft plaatsgevonden aan ander celmateriaal geeft hij de verdachte, indien deze bekend is, zodra het belang van het onderzoek dat toelaat schriftelijk kennis van de uitslag van het onderzoek. Buiten het geval, bedoeld in het tweede lid, wijst hij de verdachte daarbij op het bepaalde in het vierde en het vijfde lid.
Art. 359a, eerste lid, Sv luidt, voorzover hier van belang: "De rechtbank kan, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, bepalen dat (...)."
4.4. In de hiervoor onder 4.2 weergegeven overweging heeft het Hof als zijn oordeel tot uiting gebracht dat art. 359a Sv niet van toepassing is, omdat de vormverzuimen waarop de verdachte zich heeft beroepen herstelbaar waren. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het is evenmin onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat, zoals in de overwegingen van het Hof ligt besloten, het verzuim om de verdachte overeenkomstig art. 151a, derde lid, Sv schriftelijk in kennis te stellen van de uitslag van het DNA-onderzoek en hem te wijzen op de mogelijkheid om aan de Officier van Justitie te verzoeken een tegenonderzoek te laten uitvoeren, ten gevolge heeft dat de in art. 151a, vierde lid, Sv vermelde termijn van veertien dagen niet was ingegaan en dat de verdachte ook nog ter terechtzitting in hoger beroep een verzoek had kunnen doen tot het doen uitvoeren van een tegenonderzoek.
4.5. Het middel faalt.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 1 november 2005.