6 december 2005 Strafkamer nr. 00820/05 PB/IC Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 27 augustus 2004, nummer 21/002343-03, in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in het Huis van Bewaring te Nieuwegein. 1. De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Arnhem van 21 mei 2003 - de verdachte vrijgesproken van het bij inleidende dagvaarding onder 11, 12 primair, 15 en 16 primair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1., 3., 4., 7., 8., 10 primair, 13. en 14. telkens opleverende "diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak", 2. "poging tot diefstal, gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf of aan andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door twee of meer verenigde personen", 5. "het medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is" en "het medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is", 6. "diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen", 9. "poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen", 12 subsidiair en 16 subsidiair telkens opleverende "schuldheling", 17. en 19. telkens opleverende "poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak" en 18. en 20. telkens opleverende "diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak" veroordeeld tot zeven jaren en zes maanden gevangenisstraf. Het Hof heeft de benadeelde partij [A] niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering en voorts de vorderingen van de benadeelde partijen [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [B] toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander zoals in het arrest vermeld. Voorts is de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde straf. 2. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.N. Slijters, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 3. Beoordeling van het eerste middel Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 4. Beoordeling van het tweede middel 4.1. Het middel richt zich tegen de bewijsvoering van feit 5 en bevat de klacht dat het Hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft geoordeeld dat sprake is van een kennelijk leugenachtige verklaring van de verdachte. 4.2. Het Hof heeft ten laste van de verdachte onder 5 bewezen verklaard dat: "hij op 23 oktober 2002 te Nieuwegein, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk brand heeft gesticht, immers heeft verdachte tezamen en in vereniging met anderen toen aldaar opzettelijk brandbare stoffen, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking [heeft] gebracht met zaken aanwezig in het pand aan de Dukatenburg 1 te Nieuwegein, ten gevolge waarvan bovengenoemd pand en die zaken geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de omringende panden en levensgevaar voor de in dat pand aanwezige personen [betrokkene 4] en [betrokkene 5] en de bewoners van de omringende panden te duchten was." 4.3.1. Deze bewezenverklaring steunt onder meer op de volgende bewijsmiddelen: - (bewijsmiddel 28a) Een tapverslag van een telefoongesprek tussen [J] (een medeverdachte) en [M] (de verdachte) op 22 oktober 2002 om 22.48 uur, voorzover inhoudende: "M: Hee, weet je wat jullie moeten even doen? J: Nou? M: Willen jullie twee jerrycans vullen, of een jerrycan? J: Ja ja. M: Liefst twee. (...) M: Heb je ze, ok, ga, ga dan even jerrycan vullen, want wij kunnen niet, of twee, want weet je waarom, wij kunnen niet langs tankstation met dat ding daar gaan. J: Is goed ja. M: Ja gewoon uhh, ja wel uhh, ja benzine. J: OK. M: Benzine wel ieder geval. J: OK." - (bewijsmiddel 28b) De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, voorzover inhoudende: "Ook heb ik niets te maken gehad met het onder 5 tenlastegelegde. Ik was die avond met een stel jongens. U zegt mij dat er veel taps zijn over jerrycans. Dat kan kloppen, maar deze jerrycans met benzine waren bedoeld voor onze scooters. We hadden één jerrycan nodig voor twee scooters. Ik weet niet of de tank van de scooter van [medeverdachte] vol was. De tank van de andere scooter was in ieder geval leeg." 4.3.2. Voorts heeft het Hof ten aanzien van het onder 5 bewezenverklaarde de volgende bewijsoverweging opgenomen: "Het hof is van oordeel dat de door verdachte ter terechtzitting afgelegde ontkennende verklaring kennelijk leugenachtig is en bedoeld om de waarheid te bemantelen. Uit de onder 28a weergegeven inhoud van het telefoongesprek blijkt duidelijk dat verdachte het liefst twee jerrycans met benzine gevuld wilde hebben. Zoals hij zelf zegt is één jerrycan voldoende voor twee scooters, nog daargelaten de vraag of er nu één of twee scooters bijgetankt moesten worden." 4.4. Een verklaring van de verdachte die naar het oordeel van de rechter kennelijk leugenachtig is en is afgelegd om de waarheid te bemantelen kan bij de bewijsvoering worden gebruikt. Zodanig oordeel zal dan wel zijn grondslag moeten vinden in andere bewijsmiddelen dan de verklaring(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.