← Nederland

ECLI:NL:HR:2006:AU8941

24 maart 2006 Eerste Kamer Nr. C05/015HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiseres], wonende te [woonplaats], EISERES tot cassatie, advocaat: mr. P. Garretsen, t e g e n 1. [Verweerder 1], kantoorhoudende te [plaats], 2. [Verweerder 2], wonende te [woonplaats], VERWEERDERS in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties Eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - heeft bij exploot van 14 december 2000 verweerder in cassatie sub 2 - verder te noemen: [verweerder 2] - gedagvaard voor de rechtbank te Rotterdam en gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [verweerder 2] te veroordelen om aan haar te betalen (

  1. a)een bedrag van ƒ 32.000,--, (
  2. b)een bedrag van ƒ 40.000,-- en (
  3. c)een bedrag van ƒ 20.000,--, deze drie bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede een bedrag van ƒ 1.500,-- ter zake van buitengerechtelijke kosten. [Betrokkene 1], advocaat te [plaats], trad in deze procedure op namens [eiseres]. Verweerder in cassatie onder 1, [verweerder 1], stelde zich in diens opdracht als procureur voor de rol van 1 maart 2001. Bij brief van 14 februari 2001 heeft [betrokkene 1] aan de advocaat van [verweerder 2] laten weten dat hij niet langer de belangen van [eiseres] behartigde. Een afschrift van die brief zond hij bij brief van gelijke datum aan [eiseres], met een bevestiging dat zijn kantoor geen werkzaamheden meer voor haar zou verrichten. Bij brief van 23 februari 2001 deelde [betrokkene 1] aan [eiseres] mee dat hij de producties die hij in het tussen [eiseres] en [verweerder 2] gevoerde kort geding had ingebracht aan [verweerder 1] had gezonden om deze eveneens in het geding te brengen in de hoofdzaak en dat zij, indien zij van mening was dat nog andere producties in het geding dienden te worden gebracht, dat - eventueel met haar nieuwe advocaat - aan [verweerder 1] diende kenbaar te maken. [Verweerder 1] heeft overeenkomstig de door [betrokkene 1] gegeven instructies ter rolle van 15 maart 2001 een conclusie van eis met producties ingediend. Eerst na aanhouding van de hoofdzaak tot 26 april 2001 heeft [verweerder 1] zich als procureur onttrokken, nadat [betrokkene 1] hem had laten weten niet langer voor [eiseres] te zullen optreden. Op dezelfde roldatum, 26 april 2001, heeft [verweerder 2] een conclusie van antwoord ingediend. Bij incidentele conclusie heeft [eiseres] gesteld dat zij [verweerder 1], althans [betrokkene 1] expliciet heeft verzocht de hiervoor genoemde conclusie van eis niet te nemen en verklaring gevorderd dat: a. haar ontkentenis deugdelijk is; b. de conclusie van eis zal worden beschouwd als niet gepleegd; c. de uit die conclusie van eis voortvloeiende akten van het proces, in het bijzonder de daarop gevolgde conclusie van antwoord, van onwaarde zijn; d. met veroordeling van [verweerder 1] om aan [eiseres] te vergoeden alle kosten, schade en rente, die het gevolg zijn van de te dezen ontkende verrichting, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; e. met veroordeling van [verweerder 1] in de kosten van de procedure. Zowel [verweerder 1] als [verweerder 2] hebben ieder afzonderlijk bij conclusie van antwoord in het incident de vorderingen van [eiseres] bestreden. De rechtbank heeft bij vonnis van 23 mei 2002 in het incident de vordering van [eiseres] afgewezen, [eiseres] in de proceskosten veroordeeld en de hoofdzaak naar de rol verwezen voor voortprocederen. Tegen het vonnis in het incident heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Bij arrest van 27 mei 2004 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding en het herstelexploot zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. Tegen de niet verschenen [verweerder 1] en [verweerder 2] is verstek verleend. De zaak is voor [eiseres] toegelicht door haar advocaat. De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het beroep. De advocaat van [eiseres] heeft bij brief van 17 januari 2006 op die conclusie gereageerd. 3. Beoordeling van de middelen De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 4. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder 1] en [verweerder 2] begroot op nihil. Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, W.A.M. van Schendel, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 24 maart 2006.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.