28 april 2006 Eerste Kamer Nr. C04/260HR JMH/RM Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [De vrouw], wonende te [woonplaats], EISERES tot cassatie, advocaat: voorheen mr. M.E.M.G. Peletier, thans mr. E.M. Tjon-En-Fa, t e g e n [De man], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties Eiseres tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - heeft bij exploot van 30 augustus 1999 verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: 1. over te gaan tot verdeling van de gemeenschappelijke vermogensbestanddelen; 2. de man te veroordelen zijn volledige medewerking te verlenen aan een taxatie-onderzoek van het perceel, plaatselijk bekend [a-straat 1] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Alphen aan den Rijn sectie [A] nummer [001], door een door de rechtbank te benoemen makelaar en de vrouw in staat te stellen deze taxatie persoonlijk bij te wonen en haar derhalve tijdens het onderzoek tot de woning toe te laten, zulks op verbeurte van een dwangsom van ƒ 1.000,-- voor iedere dag dat de man in gebreke blijft hieraan te voldoen; 3. de man te veroordelen om aan de vrouw te voldoen het aan haar oorspronkelijke inbreng evenredige deel van de huidige waarde van voormeld perceel, alsmede - indien daarvan sprake is - de helft van de overige waarde van genoemd perceel; 4. het bedrag vast te stellen dat de man op grond van artikel 4 van de huwelijkse voorwaarden (overigens) nog verschuldigd is en de man te veroordelen dit bedrag aan de vrouw te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 april 1999, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum; 5. de man te veroordelen om aan de vrouw te voldoen een bedrag van ƒ 5.150,-- (zijnde de schuld uit de huwelijkse voorwaarden aan de vrouw); 6. de man te veroordelen om binnen veertien dagen na wijzen van het vonnis aan de vrouw af te geven de roerende zaken genoemd in de dagvaarding sub 2.2, alsmede het spaarbankboekje van de Spaarbank van de Coöperatieve Raiffeisenbank te Alphen aan den Rijn (serie [002]), alsmede van de vermogensbestanddelen van de vrouw waarvan het bestaan na uitbrenging van deze dagvaarding nog is gebleken, op straffe van een dwangsom van ƒ 500,-- voor iedere dag dat hij daarmee (deels) in gebreke blijft; 7. de man te veroordelen om binnen veertien dagen na wijzen van het vonnis aan de vrouw, door afgifte van stukken, inzicht te verschaffen in de financiële administratie van de vrouw, van de man en van partijen gezamenlijk (pensioenen, levensverzekeringen, bank- en girorekeningen, spaargelden etc.), op straffe van een dwangsom van ƒ 500,-- voor iedere dag dat hij daarmee in gebreke blijft; 8. de man te veroordelen in de kosten van deze procedure. De man heeft de vorderingen bestreden. De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 1 november 2000 een comparitie van partijen gelast. Na de op 21 december 2000 gehouden comparitie van partijen heeft de vrouw ter terechtzitting van 13 maart 2001 haar eis in die zin vermeerderd dat de man wordt veroordeeld aan de vrouw te betalen de wettelijke rente over de lening van ƒ 5.150,-- te rekenen vanaf 12 juli 1972, althans vanaf de dag der dagvaarding, althans vanaf de datum dat de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren, en dat de man wordt veroordeeld aan te vrouw te betalen een bedrag van ƒ 10.000,--, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding. De man heeft zich niet tegen de vermeerdering van eis verzet. Vervolgens heeft de rechtbank bij vonnis van 9 januari 2002 de man op straffe van een dwangsom veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis aan de vrouw af te geven de in het dictum van dit vonnis vermelde goederen, dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard en onder aanhouding van iedere verdere beslissing de man tot bewijslevering toegelaten. Tegen de vonnissen van 1 november 2000 en 9 januari 2002 heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Bij memorie van grieven en bij akte ter zitting van 15 mei 2003 heeft de vrouw naast het in prima gevorderde het hof verzocht de man te veroordelen aan de vrouw te voldoen de helft van de waarde van voormelde onroerende zaak per datum 4 mei 1999, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 mei 1999 tot aan de datum der algehele voldoening. De man heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 12 mei 2004 heeft het hof in het principale en het incidentele hoger beroep: - de man en de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in hun principale en incidentele appel terzake het vonnis van de rechtbank van 1 november 2000; - de vrouw niet-ontvankelijk verklaard voor zover zij betaling vordert van de man van ƒ 5.150,-- (€ 2.337,--) zoals overwogen in punt 9; - de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot afgifte van een eikenhouten klok zoals overwogen in punt 7; - de man veroordeeld om aan de vrouw af te geven de speedboot merk Vega met motor merk Volvo penta 45 pk en dit arrest terzake de afgifte van de hiervoor genoemde boot uitvoerbaar bij voorraad verklaard; - de vrouw tot bewijslevering toegelaten zoals in het dictum van het arrest is vermeld; - het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 9 januari 2002, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigd, en - de kosten van het geding in hoger beroep in die zin gecompenseerd dat de partijen ieder de eigen kosten dragen. Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen het arrest van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Tegen de niet verschenen man is verstek verleend. De zaak is voor de vrouw toegelicht door haar advocaat. De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing ter verdere behandeling en beslissing. 3. Beoordeling van het middel 3.1 In deze zaak, waarin het in cassatie nog slechts gaat om de aanspraak van de vrouw op een deel van de huidige waarde van de voormalige echtelijke woning, kan van het volgende worden uitgegaan. (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.