10 maart 2006 Eerste Kamer Rek.nr. R05/082HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: 1. [De man], 2. [De zoon], beiden wonende te [woonplaats], VERZOEKERS tot cassatie, advocaat: mr. J. Groen, t e g e n [De vrouw], wonende te [woonplaats], VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. A. Vijftigschild. 1. Het geding in feitelijke instanties Met een op 22 juli 2003 ter griffie van de rechtbank te 's-Gravenhage ingediend verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie sub 1 - verder te noemen: de man - zich gewend tot die rechtbank en verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, verweerster in cassatie - verder te noemen: de vrouw - te veroordelen om aan de man tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de toen nog minderjarige verzoeker tot cassatie sub 2 - verder te noemen: de zoon - ten bedrage van € 250,-- per maand, maandelijks bij voorruitbetaling te voldoen, zulks met ingang van 1 juni 2003, dan wel deze bijdrage vast te stellen op een bedrag en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren. De vrouw heeft primair verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, subsidiair het verzoek van de man af te wijzen. De rechtbank heeft bij beschikking van 17 februari 2004 de door de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de zoon met ingang van 22 juli 2003 bepaald op € 129,-- per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de man te voldoen, deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard, de proces-kosten tussen partijen gecompenseerd, en het meer of anders verzochte afgewezen. Tegen deze beschikking heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Daarbij heeft zij verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, primair de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek en subsidiair zijn verzoek af te wijzen. De man en de zoon hebben het beroep van de vrouw bestreden. Daarbij hebben zij allereerst verzocht de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, dan wel haar beroep ongegrond te verklaren, en ten tweede hebben zij verzocht de betreden beschikking te bekrachtigen en de bijdrage te vermeerderen met de wettelijke rente over elke maand waarin de vrouw in gebreke is gebleven en blijft, zolang de zoon schoolgaand of studerend is en nog niet de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt, alsmede zolang de zoon vanaf zijn 21ste levensjaar schoolgaand of studerend is en niet in zijn levensonderhoud kan voorzien en nog niet de leeftijd van 27 jaar heeft bereikt, tevens de vrouw te veroordelen om aan de zoon een bijdrage van € 129,-- bruto maandelijks te voldoen. Bij beschikking van 16 maart 2005 heeft het hof de bestreden beschikking vernietigd en, opnieuw beschikkende, het inleidend verzoek van de man strekkende tot bepaling van kinderalimentatie, alsmede het in hoger beroep meer of anders verzochte afgewezen. De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen de beschikking van het hof hebben de man en de zoon beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De vrouw heeft verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren in het cassatieberoep, dan wel het cassatieberoep te verwerpen. De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot vernietiging en verwijzing. 3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep De vrouw heeft betoogd dat de man niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn cassatieverzoek doch tevergeefs, nu de gronden die zij hiervoor aanvoert - feitelijke klachten tegen het arrest - een dergelijk betoog niet kunnen dragen. 4. Beoordeling van het middel 4.1 In cassatie kan ervan worden uitgegaan, dat op 18 augustus 2000 tussen de man en de vrouw echtscheiding is uitgesproken, dat deze scheiding op 27 oktober 2000 is ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand alsmede dat partijen in maart 2001 in een convenant hebben vastgelegd (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.