16 mei 2006 Strafkamer nr. 01710/05 SG/SM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 23 maart 2005, nummer 22/006887-04, in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Nieuw Vossenveld" te Vught. 1. De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Middelburg van 10 november 2004 - de verdachte ter zake van primair "doodslag" veroordeeld tot vijf jaren gevangenisstraf met onttrekking aan het verkeer en teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen zoals in het arrest omschreven. Voorts heeft het Hof de vordering van het Openbaar Ministerie op grond van artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht afgewezen. 2. Geding in cassatie 2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B. Vermeirssen, advocaat te Tholen, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing van de zaak naar het hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. 2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal. 3. Beoordeling van het eerste middel 3.1. Het middel klaagt dat het ter terechtzitting van het Hof van 9 maart 2005 gevoerde betoog dat de verdachte geen voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer heeft gehad ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd is verworpen. 3.2. Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat: "hij op 17 juli 2004, in de gemeente Vlissingen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk die [slachtoffer] met een mes in het rechter bovenbeen gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden." 3.3. De bewezenverklaring steunt, voorzover hier van belang, op de volgende bewijsmiddelen: a. een proces-verbaal van politie, voorzover inhoudende als de verklaring van [betrokkene 1] (bewijsmiddel 7): "Ik heb regelmatig contact met [slachtoffer], mijn broer [betrokkene 2] is bij hem gaan wonen. Ik heb ongeveer twee maanden geleden [verdachte] en [betrokkene 3] uit mijn huis gezet. Sindsdien heb ik ruzie met [verdachte]. Op 17 juli 2004 werd ik door [verdachte] gebeld op mijn GSM. Hij zei dat hij mij dood ging maken. Even later werd ik in de woning van [slachtoffer] nogmaals gebeld. [Slachtoffer] nam dit gesprek aan. Toen ik [slachtoffer] hoorde praten, dacht ik dat het [verdachte] was die hij aan de lijn had. Nadat dit gesprek was beëindigd, werd ik even later weer gebeld door [verdachte]. Ik hoorde dat hij zei dat hij me kapot zou maken. Ik zei dat hij dan maar naar buiten moest komen om het uit te praten. [Slachtoffer] en ik zijn naar buiten gegaan. Even later is mijn broer [betrokkene 2] naar buiten gekomen. Ik maakte een gebaar naar [verdachte] die nog in de woning van [betrokkene 4] stond dat hij naar buiten moest komen. Toen [verdachte] buiten kwam, zag ik dat hij een klauwhamer in zijn hand had. [Verdachte] is terug de woning in gegaan. Ik zag dat [slachtoffer] op de ramen van de woning van [betrokkene 4], waar [verdachte] naar binnen was gegaan, stond te slaan. Ik hoorde dat [slachtoffer] riep dat hij naar buiten moest komen. Ik ben vervolgens naar mijn broer gelopen. Op het moment dat ik terug kwam in de [a-straat] zag ik dat [betrokkene 4] in de deuropening van zijn woning stond. [Verdachte] kwam naar buiten. [Verdachte] duwde [betrokkene 4] wat handhandig opzij. Ik zag dat [verdachte] naar [slachtoffer] liep. Er vond vervolgens een woordenwisseling plaats tussen [verdachte] en [slachtoffer]. Ik zag dat [verdachte] in zijn rechter hand een mes had. [Verdachte] had het mes zo vast dat het met de punt naar beneden wees. Het was een mes zonder kartels. Ik zag dat [verdachte] zich omdraaide in de richting van de voordeur van de woning. Ik dacht op dat moment dat [verdachte] naar binnen wilde gaan. Op het moment dat hij zich omgedraaid had, werd [verdachte] door [slachtoffer] van achteren rond zijn keel gegrepen. [Slachtoffer] stond toen met zijn voorkant tegen de achterzijde van [verdachte]. Op dat moment zag ik dat [verdachte] achterwaarts een stekende beweging met het mes maakte in de richting van de rechterzijde van het onderlichaam van [slachtoffer]. Nadat er met het mes was gestoken, heb ik mijn broer geroepen en zijn we met zijn tweeën in de richting van [verdachte] en [slachtoffer] gelopen. Op het moment dat ik nog op de hoek van de straat stond en [verdachte] het mes na het steken weer naar voren haalde, zag ik dat er bloed aan het mes zat. Toen we bij hen kwamen, zag ik dat er bloed bij [slachtoffer] door zijn rechter broekspijp kwam. [Slachtoffer] en [verdachte] zijn beiden opgestaan. [Verdachte] is via de voordeur de woning van [betrokkene 4] ingelopen. Toen [slachtoffer] was opgestaan, zag ik dat hij veel bloed aan zijn kleding had. Een paar tellen later zag ik dat hij als een plumpudding in elkaar zakte en doodstil op straat bleef liggen." b. een proces-verbaal van politie, voorzover inhoudende als de verklaring van de verdachte (bewijsmiddel 8): "Ik heb al heel lang problemen met [slachtoffer]. Vanavond (het hof begrijpt: 17 juli 2004) kwam [slachtoffer] aan de deur van de [a-straat 1] te [woonplaats] bij [betrokkene 4] waar ik op dat moment ook was. [Slachtoffer] bonsde op het raam. Ik heb een vleesmes uit de keukenla gepakt en ben naar de deur gegaan. Ik wilde hem met dat mes in mijn hand wegjagen. Ik heb de deur opengedaan en ben achter hem aangerend. [Slachtoffer] rende weg. Ik heb me omgedraaid en ben teruggelopen. Toen ik terugliep, pakte [slachtoffer] mij van achteren beet. We kwamen te vallen op de grond. Ik lag onder en [slachtoffer] lag boven op mij. Ik heb met het mes dat ik in mijn hand had [slachtoffer] gestoken. Ik denk dat ik hem ergens in zijn zij of onderbuik heb geraakt. Ik heb hem hierna van me afgeduwd en ben naar binnen gelopen." c. de verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 9 maart 2005, voorzover inhoudende (bewijsmiddel 10): "Op 17 juli 2004 ben ik naar de woning van [betrokkene 4] aan de [a-straat 1] te [woonplaats] gegaan. Op een gegeven moment heb ik gebeld met [betrokkene 1]. Mijn vriendin [betrokkene 3] -de ex van [slachtoffer]- en ik hebben een tijd bij [betrokkene 1] in huis gewoond te [woonplaats]. [Betrokkene 1] had nog een aantal spullen van [betrokkene 3] en mij en ik had gehoord dat die naar het huis van [slachtoffer] waren gebracht. Het was een driftig gesprek tussen [betrokkene 1] en mij waarin over en weer gescholden werd. Nadat [betrokkene 1] en ik een aantal keren met elkaar gebeld hadden, ben ik naar buiten gegaan. Ik had op dat moment een hamer bij me. Vervolgens ben ik teruggegaan naar de woning van [betrokkene 4], alwaar ik de hamer weer heb teruggelegd. Vervolgens heb ik weer gebeld met [betrokkene 1]. Ik hield er rekening mee dat de situatie uit de hand zou kunnen lopen aangezien [slachtoffer] vaker met een stuk hout in zijn handen voor mij had gestaan. De bedoeling van de telefoontjes was het terugkrijgen van mijn spullen. Op een gegeven moment stond [slachtoffer] voor het raam van de woning van [betrokkene 4]. [Slachtoffer] riep om mij. Hierop ben ik vanuit de woonkamer naar de keuken gelopen. In de keuken heb ik een mes uit de la gepakt. Vervolgens ben ik met dit mes naar buiten gegaan. Ik had de woning van [betrokkene 4] in plaats van via de voordeur via de achterdeur kunnen verlaten. Ik was het getreiter en gestalk van [slachtoffer] echter zat. Dat moest ophouden. Tevens dacht ik dat een goed pak slaag hem misschien zou motiveren om de spullen van [betrokkene 3] en mij terug te geven. Ik ben door de gang naar de voordeur gelopen en ben naar buiten gestapt. Ik had toen twee vleesmessen en een aanzetstaal in mijn rechterhand. Toen ik vier à vijf meter had gelopen, zag ik [slachtoffer] midden op straat staan. We begonnen tegen elkaar te schelden. Voorts pakten we elkaar beet en begonnen aan elkaar te trekken en te duwen. Na de scheldpartij en de worsteling heb ik me omgedraaid en ben ik teruggelopen in de richting van de woning van [betrokkene 4]. Nadat ik me had omgedraaid en een paar stappen had gelopen, voelde ik dat [slachtoffer] mij met de linkerarm rond mijn keel pakte en op m'n rug hing waardoor wij beiden op straat vielen. Voorts voelde ik dat mijn keel werd afgeklemd. De messen bevonden zich tussen mijn arm en mijn borst in. Het is mogelijk dat ik geprobeerd heb om [slachtoffer] met een stekende beweging met een van de messen van me af te slaan. Ik voelde dat de rechterkant van mijn lichaam vochtig werd. Ik ben onder [slachtoffer] vandaan geklauterd. Vervolgens ben ik naar de woning van [betrokkene 4] gelopen en ben daar op zolder gaan zitten." 3.4. Een andere bewijsoverweging is niet opgenomen. 3.5. Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 maart 2005 gehechte pleitaantekeningen heeft verdachtes raadsman aldaar het volgende aangevoerd: "Reden voor het instellen van het hoger beroep is dat [verdachte] het niet eens is met de kwalificatie 'doodslag' van de Rechtbank Middelburg. In het bijzonder kan de voor doodslag vereiste opzet niet worden geconstrueerd door middel van voorwaardelijke opzet. Vervolgens is ten onrechte het beroep op noodweer/noodweerexces afgewezen. Bewezenverklaring: geen voorwaardelijke opzet op de dood van [slachtoffer] Over de feitelijke toedracht bestaat weinig discussie. [Verdachte] is 'over de rooie' geraakt toen [slachtoffer] op het raam stond te bonzen en met zijn hand snijdende bewegingen maakte langs zijn nek. [Verdachte] is daarop naar buiten gegaan om hem weg te jagen en heeft een mes meegenomen. [Verdachte] en [slachtoffer] hebben op straat een heftige woordenwisseling gehad, waarbij niet is gedreigd met het mes. [Verdachte] draaide zich vervolgens om en liep naar de voordeur toe. [Slachtoffer] viel hem echter plotseling van achteren aan door met zijn arm de nek van [verdachte] te omklemmen (en hem zo tegen de grond trachten te werken). Op dat moment, dus toen [slachtoffer] tegen [verdachte] aanstond met zijn arm om de nek van [verdachte], heeft [verdachte] een stekende beweging achterwaarts gemaakt. Of deze steekbeweging willens en wetens of uit een reflexbeweging is gedaan, laat ik even in het midden. Die stekende beweging kan in elk geval enkel bedoeld zijn om [slachtoffer] af te weren. [Slachtoffer], die veel langer is (1,92
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.