13 juni 2006 Strafkamer nr. 01208/05 LR/IC Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 28 februari 2005, nummer 21/005351-04, in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak 1.1. Het Hof heeft in hoger beroep de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Arnhem van 31 augustus 2004, waarbij de oproeping van de verdachte nietig is verklaard. 2. Geding in cassatie 2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B. Kramer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het beroep. 2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal. 3. Beoordeling van het middel 3.1. Het middel bevat onder meer de klacht dat het oordeel van het Hof dat de beslissing van de Politierechter van 31 augustus 2004 niet een einduitspraak is, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. 3.2. Het bestreden arrest houdt omtrent de ontvankelijkheid van het hoger beroep het volgende in: "Naar de bewoordingen van de appelakte heeft de verdachte het hoger beroep ingesteld tegen het eindvonnis van de politierechter van de rechtbank te Arnhem van 31 augustus 2004. Redelijke lezing van het document met het opschrift 'proces-verbaal terechtzitting' brengt mee dat de verdachte klaarblijkelijk hoger beroep heeft willen instellen tegen dat gedeelte van voormeld document waarbij de politierechter de oproeping nietig heeft verklaard. Dat gedeelte wordt door het hof opgevat als een uitspraak als bedoeld in artikel 138 van het Wetboek van Strafvordering. Die uitspraak geldt evenwel blijkens de omschrijving in de laatste zinsnede van voormeld artikel niet als een einduitspraak, zodat verdachte ingevolge artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering niet-ontvankelijk in haar hoger beroep dient te worden verklaard. Ten overvloede overweegt het hof nog dat de verdachte geen in rechte te beschermen belang heeft bij het instellen van het hoger beroep tegen het vornoemde vonnis." 3.3. Uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken volgt - voorzover hier van belang - het volgende procesverloop: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.