ECLI:NL:HR:2006:AX5766
22 augustus 2006 Strafkamer nr. 01915/05 SG/AM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 15 maart 2005, nummer 20/002867-04, in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1950, wonende te [woonplaats].
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor zover het de beslissingen over feit 3 en de strafoplegging betreft en tot verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
3.2.1. Overeenkomstig de inleidende dagvaarding is ten laste van de verdachte onder 3 bewezenverklaard dat: "hij op 12 juli 2003 in de gemeente Roermond, opzettelijk zaken, bestemd om voor de bevoegde macht tot overtuiging en/of bewijs te dienen, onbruikbaar heeft gemaakt, door met dat opzet meerdere hulzen en kogeldelen onderscheidenlijk bloed(sporen), bestemd om voor een rechterlijk college in een strafprocedure tot overtuiging en/of bewijs te dienen, in een vuilnisbak te deponeren onderscheidenlijk op te vegen."
3.2.2. De bewezenverklaring steunt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, op de volgende bewijsmiddelen:
3.3. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, nog het volgende in: "Van de zijde van de verdachte is aangevoerd dat de verdachte niet het opzet heeft gehad om sporen weg te maken of onbruikbaar te maken. Hij heeft immers de sporen in de woning achtergelaten, door de aanwezige hulzen in de vuilnisbak te deponeren die in de woning is blijven staan. Het hof verwerpt dit verweer. Het hof is, met de rechtbank, van oordeel dat onder het vernielen, beschadigen, onbruikbaar maken of wegmaken als bedoeld in artikel 200 van het Wetboek van Strafrecht, ook dient te worden begrepen het zodanig wijzigen van de aangetroffen situatie op de plaats van een misdrijf dat daardoor sporenonderzoek onmogelijk wordt of bemoeilijkt wordt. De verdachte moet hebben begrepen dat het verwijderen van bloedvlekken en het verplaatsen van hulzen op de plaats van het misdrijf zoals door hem gedaan, directe gevolgen kan hebben voor het vaststellen van de feitelijke toedracht ter plaatse."
3.4. De tenlastelegging is toegesneden op art. 200, eerste lid, Sr. Daarom moet de in de bewezenverklaarde tenlastelegging voorkomende uitdrukking "zaken, bestemd om voor de bevoegde macht tot overtuiging en/of bewijs te dienen" geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in dat artikel.
3.5. Art. 200 Sr luidt: "1. Hij die opzettelijk zaken, bestemd om voor de bevoegde macht tot overtuiging of bewijs te dienen, akten, bescheiden of registers die voortdurend of tijdelijk op openbaar gezag bewaard worden, of hetzij aan een ambtenaar, hetzij aan een ander in het belang van de openbare dienst zijn ter hand gesteld, vernielt, beschadigt, onbruikbaar maakt of wegmaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie.
3.6. De wetsgeschiedenis houdt onder meer het volgende in: "TITEL VIII.
Misdrijven tegen het openbaar gezag.
Memorie van Toelichting.
De onder deze rubriek strafbaar gestelde feiten strekken alle om de geregelde werking der organen van het staatsgezag in eenig opzigt te belemmeren. Het opschrift beantwoordt aan dit gemeenschappelijk kenmerk.
Overigens loopen de materiële handelingen noodwendig ver uiteen. Men kan onderscheiden: (...) ongeoorloofde handelingen met voorwerpen toevertrouwd aan het openbaar gezag (artt. 219-223 [198-202]); (...)". (H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, deel II, 1881, p. 163).
3.7. Het Hof heeft geoordeeld dat onder onbruikbaar maken van zaken, bestemd om voor de bevoegde macht tot overtuiging en/of bewijs te dienen, als bedoeld in art. 200 Sr, mede is begrepen "het zodanig wijzigen van de aangetroffen situatie op de plaats van een misdrijf dat daardoor sporenonderzoek onmogelijk wordt of bemoeilijkt wordt". Mede gelet op de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis moet evenwel worden aangenomen dat art. 200 Sr, welke wetsbepaling is ontleend aan § 133 van het toenmalige Strafgesetzbuch für den Norddeutschen Bund(1), betrekking heeft op de bescherming van voorwerpen die aan het openbaar gezag zijn toevertrouwd dan wel - voor zover het gaat om een strafrechtelijk onderzoek - (bijvoorbeeld) voorwerpen die van overheidswege zijn veiliggesteld. Onder zodanige omstandigheden krijgen die voorwerpen de bestemming als bedoeld in art. 200 Sr. Daarbij heeft de Hoge Raad mede in aanmerking genomen dat gedragingen als door het Hof bedoeld op grond van art. 189, eerste lid onder 2°, Sr strafbaar zijn, doch uitsluitend indien zij zijn begaan met het in die bepaling genoemde oogmerk.
3.8. In het onderhavige geval was er ten tijde van de bewezenverklaarde gedragingen nog generlei betrokkenheid van de overheid bij de in de bewezenverklaring genoemde voorwerpen. Het oordeel van het Hof is dus onjuist. Het middel is terecht voorgesteld.
Vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 3 tenlastegelegde en de strafoplegging;
Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;
Verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier D.N.I. Gjaltema, en uitgesproken op 22 augustus 2006.
1 § 133 Absatz 1 luidde, voor zover hier van belang, als volgt: "Wer eine Urkunde, ein Register, Akten oder einen sonstigen Gegenstand, welche sich zur amtlichen Aufbewahrung an einem dazu bestimmten Orte befinden, oder welche einem Beamten oder einem Dritten amtlich übergeben worden sind, vorsätzlich vernichtet, bei Seite schafft oder beschädigt, wird mit Gefängniß bestraft."