19 september 2006 Strafkamer nr. 02461/05 AGJ/MR Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 19 november 2004, nummer 22/005936-03 in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Rotterdam van 23 december 2002 - de verdachte ter zake van 1. "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod", 2. "medeplegen van een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen" en 3. "het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven. 2. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.A. van der Horst, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor zover het de beslissingen over feit 3 betreft en de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage teneinde op het bestaande beroep in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan. 3. Beoordeling van het middel 3.1. Het middel bevat de klacht dat het onder 3 bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen, nu daaruit niet kan blijken van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband tussen de in de bewezenverklaring genoemde personen. 3.2. Ten laste van de verdachte heeft het Hof onder 3 bewezenverklaard: "dat hij in of omstreeks de periode van l juli 2000 tot en met 22 november 2000 te Rotterdam en/of Amsterdam en/of Uitdam en/of Scheveningen en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie bestond uit een duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen, te weten hij, verdachte en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten - het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van hoeveelheden van een middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende Lijst I en - het opzettelijk verkopen en afleveren en verstrekken en vervoeren en aanwezig hebben van hoeveelheden van middelen (telkens) vermeld op de bij de Opiumwet behorende Lijst I." 3.3. Het Hof heeft blijkens de gebezigde bewijsmiddelen onder meer het volgende vastgesteld: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.