31 oktober 2006 Strafkamer nr. 00086/06 EC/SM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 20 mei 1998, nummer 22/002668-97, in de strafzaak tegen: [Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969, ten tijde van de betekening van de aanzegging uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Rijnmond" te Hoogvliet. 1. De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Rotterdam van 2 september 1997 - de verdachte ter zake van 1. "diefstal" en 2. "poging tot diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak" veroordeeld tot vier weken gevangenisstraf. 2. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.Y. Taekema, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, behoudens voor zover daarbij het vonnis van de Politierechter is vernietigd, en tot niet-ontvankelijkverklaring van de Officier van Justitie in de vervolging. 3. Bewezenverklaring Het Hof heeft ten laste van de verdachte onder 1 bewezenverklaard dat: "hij op 13 november 1996 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in een winkel gelegen aan de Coolsingel heeft weggenomen oorbellen en twee armbanden toebehorende aan [A] BV." Het Hof heeft ten laste van de verdachte onder 2 bewezenverklaard dat: "hij op 22 september 1996 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een op de [a-straat] geparkeerd staande auto (merk Volkswagen Golf) weg te nemen een goed toebehorende aan [slachtoffer] en zich daarbij de toegang tot die auto te verschaffen en dat weg te nemen goed onder zijn bereik te brengen door middel van braak, een portier(slot) van die auto heeft geforceerd met behulp van een schroevendraaier en in die auto is gaan zitten en die auto heeft doorzocht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid." 4. Beoordeling van het middel 4.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden en dat dit dient te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging. 4.2. Van overschrijding van de redelijke termijn kan sprake zijn indien op grond van art. 366 Sv een verstekmededeling dient te worden betekend en het openbaar ministerie bij die betekening niet de nodige voortvarendheid heeft betracht (vgl. HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721, rov. 3.19). In datzelfde arrest is aangegeven wanneer van de hier bedoelde vertraging in elk geval geen sprake is. 4.3. Bij de beoordeling van het middel dient in aanmerking te worden genomen dat een verdachte, die, kennis dragende van een tegen hem ingestelde vervolging, nalaat op de voorgeschreven wijze opgave te doen van zijn verhuizingen en/of geen in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke voorzieningen treft om te bereiken dat hij kennis krijgt van voor hem bestemde stukken die zijn achtergelaten dan wel verzonden aan het adres waar hij vroeger woonachtig was of stond ingeschreven, en/of nalaat zich op de hoogte te stellen van de inhoud van zodanige door hem ontvangen berichten dan wel daarop niet reageert, tengevolge waarvan de inspanningen van het openbaar ministerie om de uitspraak te zijner kennis te brengen zonder resultaat blijven, zich niet met vrucht kan beroepen op schending van de hiervoor genoemde verdragsbepaling (vgl. HR 30 januari 2001, NJ 2001, 243). 4.4.1. Tot de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken behoren: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.