17 november 2006 Eerste Kamer Nr. C05/203HR MK/RM Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. H.L. van Lookeren Campagne, t e g e n Jeroen HELLENDOORN, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van BONBOSCH B.V., kantoorhoudende te Horst, VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. E. Grabandt. 1. Het geding in feitelijke instanties Verweerder in cassatie - verder te noemen: de curator - heeft bij exploot van 15 augustus 1997 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - gedagvaard voor de rechtbank te 's-Hertogenbosch en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, een verklaring voor recht dat [eiser] aansprakelijk is voor het bedrag van de schulden van de gefailleerde Bonbosch B.V., voorzover deze schulden niet uit de aanwezige baten kunnen worden vereffend, waarbij de hoogte van het door [eiser] te betalen bedrag nader dient te worden opgemaakt bij staat. [Eiser] heeft de vordering bestreden. De rechtbank heeft bij eindvonnis van 1 september 2000, voorzover in cassatie van belang, [eiser] in de hoofdzaak veroordeeld tot betaling aan de failliete boedel van Bonbosch B.V. van het nader bij staat op te maken tekort waarvoor hij aansprakelijk is en het meer of anders gevorderde afgewezen. Tegen het vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Bij tussenarrest van 23 september 2003 heeft het hof [eiser] een bewijsopdracht verstrekt. Bij eindarrest van 14 december 2004 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Beide arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen beide arresten van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De curator heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het beroep. 3. Beoordeling van de middelen 3.1 In deze zaak, waarin de curator [eiser] als feitelijk bestuurder van Bonbosch B.V. op grond van art. 2:248 BW aansprakelijk heeft gesteld voor het faillissementstekort, kan worden uitgegaan van de feiten die onder 1.1-1.6 zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal. 3.2.1 Middel IV, dat als eerste zal worden behandeld, is gericht tegen het oordeel van het hof dat [eiser] op grond van de in rov. 4.4.1 van het tussenarrest vermelde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, dient te worden aangemerkt als feitelijk bestuurder in de zin van art. 2:248 lid 7 BW. Het klaagt dat de in genoemde rechtsoverweging onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.